395px

Twee Munten

Ramón Ayala Y Sus Bravos Del Norte

Dos Monedas

Soy el más desdichado del mundo
Y la culpa la tiene este vicio
Me dejó la mujer que tenía
Ahora pierdo también a mi hijo

Él jamás supo lo que era un padre
Porque yo andaba siempre borracho
Él pidiendo en la calle limosna
Para que yo siguiera tomando

Una noche, llovió hasta el invierno
Llegó el pobre hasta donde yo estaba
Y me dijo: Perdón, papacito
Ahora sí que no me dieron nada
Tengo hambre y también mucho frío
Por favor, hoy no me digas nada

Pero yo, ciego de tanta ira
Le golpeé hasta casi matarlo
Y le dije: Te vas a la calle
Ya no pienso seguirte aguantando
Ya no tienes ni casa ni padre
Si no traes para seguir tomando

Salió el pobre temblando de frío
Y llorando por lo que le dije
Mientras yo, en la casa, embrutecido
Sabrá Dios qué tanto lo maldije

El alcohol y el sueño me vencieron
Desperté casi ya amaneciendo
Al abrir la puerta de la casa
No creí lo que yo estaba viendo

Allí estaba mi hijo tirado
Había muerto de hambre y de frío
En su mano, le hallé dos monedas
Que me traíba pa' comprar más vino
Y yo, briago, no oí que tocaba
Y, así, el pobre murió en el olvido

Por borracho, perdí yo a mi hijo
Y a mi esposa, que tanto adoraba
Yo le quiero pedir a los padres
Que no le hagan un mal a sus hijos
Tal vez Dios me mandó este castigo
Por tirarme a la senda del vicio

Twee Munten

Ik ben de ongelukkigste ter wereld
En de schuld ligt bij deze verslaving
Mijn vrouw heeft me verlaten, nu verlies ik ook mijn kind
Hij wist nooit wat het was om een vader te hebben
Omdat ik altijd dronken was
Hij bedelde op straat om wat
Zodat ik maar door kon gaan met drinken

Een nacht regende het tot in de winter
De arme kwam waar ik was
En hij vroeg: ‘Sorry pap,
Nu heb ik echt niks gekregen
Ik heb honger en ook veel kou
Alsjeblieft, zeg vandaag niets tegen me

Maar ik, blind van woede
Sloot hem bijna de dood in
En ik zei: ‘Je gaat naar de straat
Ik ga je niet langer dulden
Je hebt geen huis en geen vader als je geen geld hebt
Om door te gaan met drinken

De arme kwam bibberend van de kou naar buiten
En huilend om wat ik zei
Terwijl ik thuis verdoofd was
En schreeuwde dat ik hem vervloekte

De drank en de slaap overwonnen me
Ik werd bijna bij het ochtendgloren wakker
Toen ik de deur van het huis opendeed
Kon ik mijn ogen niet geloven

Daar lag mijn zoon, neergestort
Hij was gestorven van honger en kou
In zijn hand vond ik twee munten
Die hij me had gebracht om meer wijn te kopen
En ik, dronken, hoorde niet dat hij klopte
En zo stierf de arme in de vergetelheid

Door mijn dronkenschap ben ik mijn zoon kwijtgeraakt
En mijn vrouw, die ik zo liefhad
Ik wil de ouders vragen
Doe je kinderen geen kwaad
Misschien heeft God me deze straf gegeven
Omdat ik op het pad van de verslaving ben gegaan.

Escrita por: Jesús Armenta Minjarez