395px

Malena

Roberto Goyeneche

Malena

Malena canta el tango como ninguna
Y en cada verso pone su corazón
A yuyo del suburbio su voz perfuma
Malena tiene pena de bandoneón

Tal vez allá en la infancia su voz de alondra
Tomo ese tono oscuro del callejón
O acaso aquel romance que solo nombra
Cuando se pone triste con el alcohol

Malena canta el tango
Con voz de sombra
Malena tiene pena
De bandoneón

Tu canción tiene el frío del último encuentro
Tu canción se hace amarga en la sal del recuerdo
Yo no sé si tu voz es la flor de una pena
Solo sé que al rumor de tus tangos, Malena
Te siento más buena, más buena que yo

Tus ojos son oscuros como el olvido
Tus labios apretados como el rencor
Tus manos, dos palomas que sienten frío
Tus venas tienen sangre de bandoneón

Tus tangos son criaturas abandonadas
Que cruzan sobre el barro del callejón
Cuando todas las puertas están cerradas
Y ladran los fantasmas de la canción

Malena canta el tango
Con voz quebrada
Malena tiene pena
De bandoneón

Malena

Malena zingt de tango als geen ander
En in elk vers legt ze haar hart
Met de geur van de wijk, haar stem zoet
Malena heeft de pijn van de bandoneón

Misschien in haar kindertijd, haar leraarsstem
Nam ze die donkere toon uit de steeg
Of misschien die romance die ze alleen noemt
Als ze verdrietig wordt door de drank

Malena zingt de tango
Met een schaduwstem
Malena heeft verdriet
Van de bandoneón

Jouw lied heeft de kou van de laatste ontmoeting
Jouw lied wordt bitter in het zout van de herinnering
Ik weet niet of jouw stem de bloem van een pijn is
Ik weet alleen dat ik bij het geluid van jouw tango's, Malena
Je beter voel, beter dan ik

Jouw ogen zijn donker als de vergetelheid
Jouw lippen strak als wrok
Jouw handen, twee duiven die het koud hebben
Jouw aderen hebben het bloed van de bandoneón

Jouw tango's zijn verlaten wezens
Die over de modder van de steeg kruisen
Wanneer alle deuren gesloten zijn
En de spoken van het lied blaffen

Malena zingt de tango
Met een gebroken stem
Malena heeft verdriet
Van de bandoneón

Escrita por: Lucio Demare / Homero Manzi