Quién fuera como el gallo
(Sirilla)
Ay, quién fuera como el gallo,
anda, que canta dormido.
Ay, quién fuera como el gallo,
anda, que canta afligido,
que canta en la noche, que canta en el día,
le canta a los pobres, les da la alegría.
Ay, quién fuera como el gallo
que lleva una vida dura
y no se pone armadura
y no parece lacayo
y suele ser rey y suele mandar
y a los que están tristes los vuelve a alegrar.
Ay, quién fuera como el gallo
que nada lo hace callar
y tiene veinte mujeres
que no lo quieren dejar
y alegra la vida de los caminantes
y le manda al sol que con él se levante.
Ay, quién fuera como el gallo,
anda valiente y seguro
y muere siempre cantando
y no le teme al verdugo
y cuando se muere lo lloran los niños
porque se ha marchado su mejor amigo.
Wie zou willen zijn als de haan
(Sirilla)
Oh, wie zou willen zijn als de haan,
loopt rond, zingt terwijl hij slaapt.
Oh, wie zou willen zijn als de haan,
loopt rond, zingt als hij zich verdrietig voelt,
zingt in de nacht, zingt overdag,
zingt voor de armen, brengt hen vreugde.
Oh, wie zou willen zijn als de haan
die een zwaar leven leidt
en geen harnas draagt
en niet lijkt op een dienaar
maar vaak koning is en bevelen geeft
en de treurigen weer blij maakt.
Oh, wie zou willen zijn als de haan
die niets hem doet zwijgen
en twintig vrouwen heeft
die hem niet willen laten gaan
en het leven van de reizigers opvrolijkt
en de zon opdraagt om met hem op te stijgen.
Oh, wie zou willen zijn als de haan,
loopt dapper en vol vertrouwen
en sterft altijd zingend
en vreest de beul niet
en als hij sterft, huilen de kinderen
omdat hun beste vriend is heengegaan.