Fuimos
No sé en qué momento fue
Ahora no encuentro ni el por qué
Todo a oscuras se quedo
Tú en medio de esa habitación
Y yo evitando la verdad
Cada arañazo duele más
Solo quería comprobar
Que no quedaba nada más
Si me acercaba ibas pa’ atrás
Llorabas pa’ hacerme rabiar
Toda la luz oscuridad
A tiempo no supe frenar
Fuimos lo que nunca quisimos ser
Lo que solo se pudo ver
Lo que nunca llegué a a entender
Fuimos todo aquello que siempre odié
Lo que nunca repetiré
Daño que nunca quise hacer
No supimos hacerlo, no encontramos la manera
Pa’ cada solución tú ponías un problema (to’ son problemas)
Nos sentíamos lejos aún temiéndonos tan cerca
Pero al chocar los labios todo se daba la vuelta
No sé qué pasó
Que fue de las dos
En que se convirtió
Si solo era un juego de dos (de dos)
Fuimos lo que nunca quisimos ser
Lo que solo se pudo ver
Lo que nunca llegué a a entender
Fuimos todo aquello que siempre odié
Lo que nunca repetiré
Daño que nunca quise hacer (hacer)
Wij Waren
Ik weet niet wanneer het was
Nu vind ik niet eens de reden
Alles bleef in het duister
Jij in het midden van die kamer
En ik ontweek de waarheid
Elke kras doet meer pijn
Ik wilde alleen maar controleren
Of er niets meer over was
Als ik dichterbij kwam, ging jij achteruit
Jij huilde om me kwaad te maken
Alle licht werd duisternis
Op tijd wist ik niet te remmen
Wij waren wat we nooit wilden zijn
Wat alleen te zien was
Wat ik nooit begreep
Wij waren alles wat ik altijd haatte
Wat ik nooit zal herhalen
Schade die ik nooit wilde doen
We wisten niet hoe we het moesten doen, we vonden de manier niet
Voor elke oplossing bracht jij een probleem (alles zijn problemen)
We voelden ons ver weg, terwijl we zo dichtbij vreesden
Maar bij het raken van de lippen draaide alles om
Ik weet niet wat er gebeurde
Wat is er met ons tweeën gebeurd
Waarin is het veranderd
Als het alleen een spel van twee was (van twee)
Wij waren wat we nooit wilden zijn
Wat alleen te zien was
Wat ik nooit begreep
Wij waren alles wat ik altijd haatte
Wat ik nooit zal herhalen
Schade die ik nooit wilde doen (doen)