Madre, En La Puerta Hay Un Niño
Madre, en la puerta hay un Niño,
más hermoso que el sol bello,
parece que tenga frío,
porque viene medio en cueros,
parece que tenga frío,
porque viene medio en cueros.
Pues dile que entre
y se calentará,
porque en esta tierra
porque en esta tierra
ya no hay caridad.
Entró el Niño y se sentó,
hizo que se calentara,
le pregunta la patrona:
¿de qué tierra y de qué patria?,
le pregunta la patrona:
¿de qué tierra y de qué patria?
Mi Madre es del cielo,
mi Padre también,
yo bajé a la Tierra
yo bajé a la Tierra
para padecer.
Niño, si quieres cenar,
se te hará de contado,
y te quedarás en casa,
como hijo muy estimado,
y te quedarás en casa,
como hijo muy estimado.
Y el Niño responde:
Eso no, señora,
que tengo una Madre
que tengo una Madre
que el Cielo la adora.
Estando el Niño cenando,
las lágrimas se le caen.
Dime Niño: ¿por qué lloras?
Porque he perdido a mi Madre.
Dime Niño: ¿por qué lloras?
Porque he perdido a mi Madre.
Si usted me dijera
donde la encontrara,
de rodillas fuera
de rodillas fuera
hasta que "la hayara".
Hazle la cama a este Niño,
con cariño y con primor.
No me la haga usted, señora,
que mi cama es un rincón.
No me la haga usted, señora,
que mi cama es un rincón.
Mi cama es el suelo,
desde que nací,
y hasta que me muera
y hasta que me muera
ha de ser así.
A la mañana siguiente
el Niño se levantó
y le dijo a la patrona
que se quedará con Dios,
y le dijo a la patrona
que se quedará con Dios.
Que se iba al templo,
que aquella es su casa,
donde iremos todos
donde iremos todos
a darle las gracias.
Al otro día siguiente
estaba el Niño en la puerta,
con dos costales de trigo
y en la mano una peseta,
con dos costales de trigo
y en la mano una peseta,
diciendo: Señora,
tome usted la paga
que yo hice anoche
que yo hice anoche
por la madrugada
Moeder, Bij De Deur Staat Een Kind
Moeder, bij de deur staat een Kind,
mooier dan de zon zo stralend,
het lijkt wel of hij het koud heeft,
want hij komt halfnaakt binnen,
het lijkt wel of hij het koud heeft,
want hij komt halfnaakt binnen.
Zeg hem dat hij binnenkomt
en zich kan opwarmen,
want in dit land
want in dit land
is er geen naastenliefde.
Het Kind kwam binnen en ging zitten,
het zorgde dat hij opwarmde,
vroeg de vrouw:
uit welk land en van welke afkomst?
vroeg de vrouw:
uit welk land en van welke afkomst?
Mijn Moeder is uit de hemel,
ook mijn Vader,
ik ben naar de Aarde gekomen
ik ben naar de Aarde gekomen
om te lijden.
Kind, als je wilt dineren,
het wordt meteen voor je gemaakt,
en je blijft hier thuis,
als een zeer gewaardeerde zoon,
en je blijft hier thuis,
als een zeer gewaardeerde zoon.
En het Kind antwoordt:
Dat niet, mevrouw,
want ik heb een Moeder
want ik heb een Moeder
die de Hemel adoreert.
Terwijl het Kind aan het dineren was,
stroomden de tranen over zijn wangen.
Zeg me Kind: waarom huil je?
Omdat ik mijn Moeder kwijt ben.
Zeg me Kind: waarom huil je?
Omdat ik mijn Moeder kwijt ben.
Als u me zou zeggen
waar ik haar kan vinden,
zou ik op mijn knieën gaan
zou ik op mijn knieën gaan
totdat ik haar vind.
Maak een bed voor dit Kind,
met liefde en zorg.
Maak het niet voor mij, mevrouw,
want mijn bed is een hoek.
Maak het niet voor mij, mevrouw,
want mijn bed is een hoek.
Mijn bed is de grond,
sinds ik geboren ben,
en tot ik sterf
en tot ik sterf
zal het zo blijven.
De volgende ochtend
stond het Kind op
en zei tegen de vrouw
dat hij bij God zou blijven,
en zei tegen de vrouw
dat hij bij God zou blijven.
Dat hij naar de tempel ging,
want dat is zijn huis,
waar we allemaal heen gaan
waar we allemaal heen gaan
dank u te zeggen.
De volgende dag
stond het Kind bij de deur,
met twee zakken tarwe
en in zijn hand een munt,
met twee zakken tarwe
en in zijn hand een munt,
zeggend: Mevrouw,
neem alstublieft de betaling
voor wat ik gisteravond deed
voor wat ik gisteravond deed
in de vroege ochtend.