When
When.
When.
When.
When.
When, (when), when you smile, when you smile at me,
Well, well I know our love will always be.
When, (when), when you kiss, when you kiss me right,
I, I don't want to ever say goodnight.
I need you,
I want you near me.
I love you,
Yes I do and I hope you hear me.
When, (when), when I say, when I say be mine,
If, if you will I know all will be fine,
When will you be mine?
I need you,
I want you near me,
I love you,
Yes I do and I hope you hear me.
When will you be mine?
When, (when), when you smile, when you smile at me,
Well, well I know our love will always be.
When, (when), when you kiss, when you kiss me right,
I, I don't want to ever say goodnight.
When will you be mine?
I need you,
I want you near me.
I love you,
Yes I do and I hope you hear me.
Wanneer
Wanneer.
Wanneer.
Wanneer.
Wanneer.
Wanneer, (wanneer), wanneer je lacht, wanneer je naar me lacht,
Nou, nou weet ik dat onze liefde altijd zal blijven.
Wanneer, (wanneer), wanneer je kust, wanneer je me goed kust,
Ik, ik wil nooit meer goedenacht zeggen.
Ik heb je nodig,
Ik wil dat je dichtbij me bent.
Ik hou van je,
Ja, dat doe ik en ik hoop dat je me hoort.
Wanneer, (wanneer), wanneer ik zeg, wanneer ik zeg wees van mij,
Als, als je wilt weet ik dat alles goed zal komen,
Wanneer zul je van mij zijn?
Ik heb je nodig,
Ik wil dat je dichtbij me bent,
Ik hou van je,
Ja, dat doe ik en ik hoop dat je me hoort.
Wanneer zul je van mij zijn?
Wanneer, (wanneer), wanneer je lacht, wanneer je naar me lacht,
Nou, nou weet ik dat onze liefde altijd zal blijven.
Wanneer, (wanneer), wanneer je kust, wanneer je me goed kust,
Ik, ik wil nooit meer goedenacht zeggen.
Wanneer zul je van mij zijn?
Ik heb je nodig,
Ik wil dat je dichtbij me bent.
Ik hou van je,
Ja, dat doe ik en ik hoop dat je me hoort.