395px

Man

Silvio Rodriguez

Hombre

De quererte cantar sufro disnea
bastante más allá de los pulmones.
Tu sombra brilla hoy en la pelea
mayor de la conciencia y las razones.
Por ti canto de pecho,
como el sueño en que giro
y leve, como aún respiro.
Por ti adelanto trecho
a lo que falta en tono
y canto lo que no perdono.

Hombre, hombre y amigo,
aún queda para estar contigo.
Hombre, hombre sin templo
desciende a mi ciudad tu ejemplo.

Supiste cabalgar contra quien odia
desde su torre de odio y exterminio,
pero, en mi parecer, te dio más gloria
el alma que tallaste a tu dominio.
La medicina escasa,
la más insuficiente
es la de remediar la mente.
Y la locura pasa
risueña cuando engaña,
cual odio de la propia entraña.

Hombre sin apellido,
un poco de piedad te pido:
hombre, ay, todavía,
que un tanto más allá está el día.

De la melena inculta a la calvicie,
del número inicial a lo incontable,
desde la tumba hasta la superficie,
tras breve veinte tan multiplicable
me llega un canto alado
de fiebres de la infancia,
me brota la invención del ansia
y entero y mutilado,
furiosamente a besos,
te doy mi corazón travieso:

Hombre, hombre sin muerte,
la noche respiró tu suerte,
hombre de buen destino,
y hay luces puestas en camino.

Man

Om je te willen zingen lijd ik aan benauwdheid
verder dan alleen mijn longen.
Jouw schaduw straalt vandaag in de strijd
van bewustzijn en de redenen.
Voor jou zing ik uit mijn hart,
zoals de droom waarin ik draai
en licht, zoals ik nog adem.
Voor jou maak ik een sprongetje
naar wat ontbreekt in toon
en zing wat ik niet vergeef.

Man, man en vriend,
het is nog niet voorbij om bij je te zijn.
Man, man zonder tempel,
daal naar mijn stad, jouw voorbeeld.

Je wist te rijden tegen wie haat
vanuit zijn toren van haat en uitroeiing,
maar, naar mijn mening, gaf je meer glorie
de ziel die je vormde onder jouw heerschappij.
De schaarse medicijn,
de meest ontoereikende
is die om de geest te genezen.
En de waanzin gaat voorbij
glimlachend als het bedriegt,
zoals de haat van de eigen ingewanden.

Man zonder achternaam,
ik vraag je om een beetje medelijden:
man, oh, nog steeds,
want iets verderop is de dag.

Van de ongetemde haardos naar de kaalheid,
vanaf het begin tot het ontelbare,
vanaf het graf tot de oppervlakte,
na twintig korte, zo vermenigvuldigbaar
komt er een gezang naar me toe
van koorts uit de kindertijd,
de uitvinding van verlangen komt opborrelen
en heel en verminkt,
woedend met kussen,
geef ik je mijn ondeugende hart:

Man, man zonder dood,
de nacht heeft jouw lot ingeademd,
man van goed lot,
en er zijn lichten op de weg.

Escrita por: Galan Joaquin Roberto, Lucia Galan