Pablo
Te conocí rasgando el pecho
De la muerte un día.
Tu no sabías nada
Y era tu quien la llevaba
De la mano, de la mano.
Y así seguirás sin reparar
En tu ventaja
Que eres tú quien la lleva,
Quien la doma y la amortaja.
Caminando, caminando.
Eres un espacio que se vuelve
Sin espina y que se pierde
En la alegría de volverse.
Pero ya tu voz está quedando,
Ya tu mano está gravando
Todo un nombre con sus dientes.
Quien que no haya visto la tristeza
Con sus cuatro mil cabezas
Puede oírte con descanso.
Quien que no haya amado largamente
Y convivido con lo extraño
De este tiempo sin remansos.
Te conocí pegado en la pared
Del cielo un día.
Ibas llevando entonces
Bajo el brazo una guajira
Y caminando, caminando.
Pablo
Ik leerde je kennen, je borst open
Op een dag van de dood.
Jij wist niets
En jij was degene die het droeg
Aan de hand, aan de hand.
En zo ga je verder zonder te merken
Dat het jouw voordeel is
Dat jij degene bent die het draagt,
Die het temt en het in de doeken wikkelt.
Lopend, lopend.
Jij bent een ruimte die wordt
Zonder stekels en die verdwijnt
In de vreugde van het worden.
Maar je stem vervaagt al,
Je hand graveert al
Een hele naam met zijn tanden.
Wie heeft de verdriet niet gezien
Met zijn vierduizend hoofden
Kan je met rust horen.
Wie heeft niet lang liefgehad
En geleefd met het vreemde
Van deze tijd zonder rust.
Ik leerde je kennen, vastgeplakt aan de muur
Van de hemel op een dag.
Je droeg toen
Onder je arm een guajira
En lopend, lopend.
Escrita por: Silvio Rodríguez