Ay de Mí
El sol cansado de mí
un día me abandonó
sin hablar, sin decir.
Ay de mí.
La luna me acompañó
callada en mi caminar
sin hablar, sin decir.
Ay de mí.
Tu languidez soy yo,
tu ancho ventanal,
el aire de tu piel,
tu sombra al caminar.
No hay otra solución,
mi mundo anciano está
y ya mis manos son
de duro pedernal.
Podré quizás vivir,
podré quizás llorar,
pero no acariciar
la verdad de tu abrazo.
Ay de mí.
Podré quizás cantar,
podré quizás reír,
pero no detener mi razón
que en pedazos va por ti.
Sobre toda tu piel
quiero hacer el amor,
en tu lecho de piel
quiero echar mi rincón.
No quiero el despertar
de abrir un puño y ver
que en la palma quedó
sólo sal, sólo sal,
sólo sal.
Ach, van Mij
De zon, moe van mij
verliet me op een dag
zonder te spreken, zonder te zeggen.
Ach, van mij.
De maan hield me gezelschap
stil tijdens mijn wandeling
zonder te spreken, zonder te zeggen.
Ach, van mij.
Jouw zwakte ben ik,
jouw brede raam,
de lucht van jouw huid,
jouw schaduw als je loopt.
Er is geen andere oplossing,
mijn wereld is oud
en mijn handen zijn al
van hard vuursteen.
Misschien kan ik leven,
misschien kan ik huilen,
maar niet de waarheid
van jouw omhelzing aanraken.
Ach, van mij.
Misschien kan ik zingen,
misschien kan ik lachen,
maar niet mijn rede stoppen
die in stukken gaat om jou.
Over jouw hele huid
wil ik de liefde bedrijven,
op jouw bed van huid
wil ik mijn hoekje maken.
Ik wil niet ontwaken
van het openen van een vuist en zien
dat er in mijn handpalm
alleen zout is, alleen zout,
alleen zout.