395px

Men Zegt van Mij

Tita Merello

Se Dice de Mí

Se dice de mí
Se dice que soy fiera
Que camino a lo malevo
Que soy chueca y que me muevo con un aire compadrón
Que parezco Leguisamo
Mi nariz es puntiaguda
La figura no me ayuda
Y mi boca es un buzón

Si charlo con Luis, con Pedro o con Juan
Hablando de mí los hombres están
Critican si ya la línea perdí
Se fijan si voy, si vengo o si fui

Se dicen muchas cosas
Más si el bulto no interesa
¿Por qué pierden la cabeza ocupándose de mí?

Yo sé que muchos me desprecian, comprar quieren
Y suspiran y se mueren cuando piensan en mi amor
Y más de uno se derrite si suspiro
Y se queda, si lo miro resoplando como un Ford

Si fea soy, pongámosle
Que de eso aún no me enteré
En el amor yo solo sé
Que a más de un gil, dejé de a pie
Podrán decir, podrán hablar
Y murmurar hasta rebuznar
Más la fealdad que Dios me dio
Mucha mujer me la envidió
Y no dirán que me engrupí
Porque modesta siempre fui
Yo soy así

Y ocultan de mí
Ocultan que yo tengo unos ojos soñadores
Además otros primores que producen sensación
Si soy fiera, sé que, en cambio
Tengo un cutis de muñeca
Los que dicen que soy chueca
No me han visto en camisón

Los hombres de mí critican la voz, el modo de andar, la pinta (¡cof, cof!), la tos
Critican si ya la línea perdí
Se fijan si voy, si vengo o si fui

Se dicen muchas cosas
Más si el bulto no interesa
¿Por qué pierden la cabeza ocupándose de mí?
Yo sé que muchos me desprecian, comprar quieren
Y suspiran y se mueren cuando piensan en mi amor
Y más de uno se derrite si suspiro
Y se queda, si lo miro resoplando como un Ford

Si fea soy, pongámosle
Que de eso aún no me enteré
En el amor yo solo sé
Que a más de un gil, dejé de a pie
Podrán decir, podrán hablar
Y murmurar y rebuznar
Más la fealdad que Dios me dio
Mucha mujer me la envidió
Y no dirán que me engrupí
Porque modesta siempre fui
Yo soy así

Men Zegt van Mij

Men zegt van mij
Men zegt dat ik een beest ben
Dat ik loop als een crimineel
Dat ik krom ben en me beweeg met een lucht van een maat
Dat ik lijk op Leguisamo
Mijn neus is puntig
Mijn figuur helpt me niet
En mijn mond is een brievenbus

Als ik praat met Luis, met Pedro of met Juan
Praten de mannen over mij
Ze bekritiseren of ik de lijn al kwijt ben
Ze letten op of ik ga, kom of al weg ben

Er worden veel dingen gezegd
Maar als de bult niet interesseert
Waarom verliezen ze hun hoofd met zich bezig te houden met mij?

Ik weet dat velen me minachten, willen kopen
En zuchten en sterven als ze aan mijn liefde denken
En meer dan één smelt als ik zucht
En blijft staan, als ik kijk, hijgend als een Ford

Als ik lelijk ben, laten we het zo noemen
Dat ik daar nog niet van weet
In de liefde weet ik alleen
Dat ik meer dan één sukkel op zijn benen heb laten staan
Ze kunnen zeggen, ze kunnen praten
En fluisteren tot ze balken
Maar de lelijkheid die God me gaf
Veel vrouwen hebben me die benijd
En ze zullen niet zeggen dat ik me verwaand heb
Want bescheiden was ik altijd
Ik ben zo

En ze verbergen van mij
Ze verbergen dat ik dromerige ogen heb
Bovendien andere schoonheden die sensatie veroorzaken
Als ik een beest ben, weet ik dat ik daarentegen
Een huid heb als een pop
Diegenen die zeggen dat ik krom ben
Hebben me nog niet in een nachthemd gezien

De mannen bekritiseren mijn stem, mijn manier van lopen, mijn uiterlijk (kuch, kuch!), mijn hoest
Ze bekritiseren of ik de lijn al kwijt ben
Ze letten op of ik ga, kom of al weg ben

Er worden veel dingen gezegd
Maar als de bult niet interesseert
Waarom verliezen ze hun hoofd met zich bezig te houden met mij?
Ik weet dat velen me minachten, willen kopen
En zuchten en sterven als ze aan mijn liefde denken
En meer dan één smelt als ik zucht
En blijft staan, als ik kijk, hijgend als een Ford

Als ik lelijk ben, laten we het zo noemen
Dat ik daar nog niet van weet
In de liefde weet ik alleen
Dat ik meer dan één sukkel op zijn benen heb laten staan
Ze kunnen zeggen, ze kunnen praten
En fluisteren en balken
Maar de lelijkheid die God me gaf
Veel vrouwen hebben me die benijd
En ze zullen niet zeggen dat ik me verwaand heb
Want bescheiden was ik altijd
Ik ben zo

Escrita por: Francisco Canaro / Ivo Pelay