Scheppingslied
In het begin was het donker.
Er was geen zon en er was geen maan,
er was geen zee om in te zwemmen,
er was geen land om op te staan.
De hemel was zwart, de aarde was leeg.
Maar plotseling stak God het licht aan,
toen scheen de zon en het werd licht;
's nachts kwamen sterren aan de hemel,
want dat vond God een mooi gezicht.
De hemel werd blauw, maar de aarde was leeg.
En God verdeelde toen de aarde
in heuvels, meren, zee en strand;
toen was de zee voor alle vissen
en voor de dieren was het land.
Op de heuvels bloeiden bloemen,
er zwommen zwanen in het meer,
er liepen herten door de heide
en in de bossen sliep een beer.
De hemel was blauw, de aarde was groen.
Maar op een dag zag God dit alles
en vond de aarde niet volmaakt;
en daarom heeft hij toen als laatste
er nog iets prachtigs bij gemaakt:
Hij maakte een man en Hij maakte een vrouw
en God maakte mij en God maakte jou
Schöpfungslied
Am Anfang war es dunkel.
Es gab keine Sonne und keinen Mond,
keine See, um darin zu schwimmen,
kein Land, um darauf zu stehen.
Der Himmel war schwarz, die Erde war leer.
Doch plötzlich schaltete Gott das Licht ein,
da schien die Sonne und es wurde hell;
nachts kamen Sterne an den Himmel,
denn das fand Gott ein schönes Bild.
Der Himmel wurde blau, doch die Erde war leer.
Und Gott teilte dann die Erde
in Hügel, Seen, Meer und Strand;
da war das Meer für alle Fische
und für die Tiere war das Land.
Auf den Hügeln blühten Blumen,
Schwäne schwammen im See,
Hirsche liefen über die Heide
und in den Wäldern schlief ein Bär.
Der Himmel war blau, die Erde war grün.
Doch eines Tages sah Gott all dies
und fand die Erde nicht perfekt;
und deshalb hat er als Letztes
noch etwas Wunderschönes gemacht:
Er schuf einen Mann und er schuf eine Frau
und Gott schuf mich und Gott schuf dich.