El Amor Oscuro
Como todas las mañanas
se levanta de la cama
y es probable que se prenda
un huevo frito en la solapa
como todas las mañanas
desayuna un cardo seco
mermelada,caracoles, y unas vísceras de perro
solo entiende a lo que importa
algún perro una paloma,
alguna cabra, que atraviesa la ciudad
ajena y sola
Con su traje gris de fieltro
y el gabán de terciopelo
y algún pájaro pequeño
que le anida en el sombrero
y repiten cada tarde
como un rito el mismo parque
un mirarse sin tocarse
un hablarse sin mirarse
suspirando y luego nada
a las diez de vuelta en casa
Ella para no ser menos
se desplaza en patinete
con un casco de bombero
la manguera y dos siameses
las arrugas como surcos
rebozada en colorete
y una boca despoblada
con los restos de algún diente
Lleva siempre una maleta
donde mete lo que encuentra
caminando por la calle
o revolviendo papeleras
sigue fiel al mismo banco
donde amó por vez primera
de qué año no recuerda
sabe que era en primavera
Y repiten cada tarde
como un rito el mismo parque
un mirarse sin tocarse
un hablarse sin mirarse
suspirando y luego nada
a las diez de vuelta en casa
Ella vive con su hermana
y a él le cuida una criada
en el barrio les conocen
como una pareja extraña
él tan alto y elegante
ella vieja y desdentada
con las sienes extraviadas
y algo raro en las miradas
ese amor contra la gente
que les mira y no comprenden
que se afirma satisfecha
que les siente indiferente
ese amor de alcoba oscura
sorprendente y que nos turba
es invento de unos locos
descolgados de la luna
Y repiten cada tarde
como un rito el mismo parque
un mirarse sin tocarse
un hablarse sin mirarse
suspirando y luego nada
a las diez de vuelta en casa
a las diez de vuelta en casa
a las diez de vuelta en casa
De Donkere Liefde
Zoals elke ochtend
staat ze op uit bed
en het is waarschijnlijk dat ze
een gebakken ei op haar schouder laat
zoals elke ochtend
ontbijt ze met een droge distel
jam, slakken, en wat hondenorganen
begrijpt alleen wat belangrijk is
of een hond, of een duif,
of een geit die door de stad
vreemd en alleen loopt
Met haar grijze viltpak
en de fluwelen mantel
en een klein vogeltje
dat in haar hoed nestelt
en elke middag herhalen
als een ritueel hetzelfde park
een blik zonder aanraken
een gesprek zonder kijken
zuchtend en dan niets
om tien uur weer thuis
Zij, om niet minder te zijn
rijdt op een step
met een brandweerhelm
de slang en twee siamezen
haar rimpels als voren
overgoten met rouge
en een mond zonder tanden
met de resten van een kies
Ze heeft altijd een koffer
waar ze alles in stopt
terwijl ze door de straat loopt
of vuilnisbakken doorzoekt
blijft trouw aan dezelfde bank
waar ze voor het eerst hield van iemand
van welk jaar weet ze niet
ze weet dat het in de lente was
En ze herhalen elke middag
als een ritueel hetzelfde park
een blik zonder aanraken
een gesprek zonder kijken
zuchtend en dan niets
om tien uur weer thuis
Zij woont met haar zus
en hij wordt verzorgd door een meid
in de buurt kennen ze hen
als een vreemd paar
hij zo lang en elegant
zij oud en tandeloos
met verloren slapen
en iets raars in de blikken
die liefde tegen de mensen
die naar hen kijken en niet begrijpen
die zich tevreden voelt
en hen onverschillig voelt
die liefde van een donkere kamer
verrassend en die ons verstoort
is een uitvinding van gekken
afgedwaald van de maan
En ze herhalen elke middag
als een ritueel hetzelfde park
een blik zonder aanraken
een gesprek zonder kijken
zuchtend en dan niets
om tien uur weer thuis
om tien uur weer thuis
om tien uur weer thuis