La Abuela
Tiene la abuela tembleque
y en la mano un bastón
tuvo en su tiempo seis hijos
que cuidó con amor.
Y hoy con la frente dormida
arrastra mil canas que trajo el dolor;
reza el rosario y musita entre dientes
"en mi tiempo todo era mejor".
Viste de negro y le gustan los días de sol
y en las mañanas de frío atiza el fogón.
Bebe coñac si la pena llega
y no pierde el color;
besa los nietos, reparte consejos
y canta con su débil voz.
Manda la abuela en la casa,
en su trono el sillón
y una mantilla de lana
le guarda el calor.
Tiene su frente arrugada
los bellos recuerdos de un tiempo mejor
y en su callada nostalgia
comentan sus nietos: "La abuela lloró".
De Grootmoeder
De grootmoeder trilt wat
met een stok in haar hand
ze had in haar tijd zes kinderen
waar ze met liefde voor zorgde.
En vandaag, met een slaperig voorhoofd
sleurt ze duizend grijze haren mee van de pijn;
ze bidt de rozenkrans en mompelt tussen haar tanden
"in mijn tijd was alles beter".
Ze draagt zwart en houdt van zonnige dagen
en in de koude ochtenden stookt ze het vuur op.
Ze drinkt cognac als de verdriet komt
en verliest geen kleur;
ze kust de kleinkinderen, deelt haar raad
en zingt met haar zwakke stem.
De grootmoeder is de baas in huis,
op haar troon, de stoel
en een wollen deken
houdt haar warm.
Haar voorhoofd is rimpelig
met de mooie herinneringen aan een betere tijd
en in haar stille nostalgie
zeggen haar kleinkinderen: "De grootmoeder huilde".