El abuelo
Sentado en el quicio de puerta
El pitillo apagado entre los labios
Con la boina calada y en la mano
Una vara nerviosa de avellano
Que recuerda su frente limpia y clara
Quizá la primavera desojada
El olor de la pólvora mojada
O el sabor del carbón mientras picaba
El abuelo fue picador, allá en la mina
Y arrancando negro carbón quemó su vida
Se ha sentado el abuelo en la escalera
A esperar el tibio sol de madrugada
La mirada clavada en la montaña
Es su amiga más fiel nunca le engaña
Temblorosa la mano va al bolsillo
Rebuscando el tabaco y su librito
Y al final como siempre murmurando
Que María le esconde su tabaco
El abuelo fue picador, allá en la mina
Y arrancando negro carbón quemó su vida
De grootvader
Zittend op de drempel van de deur
Met een sigaartje tussen zijn lippen
Met de pet diep in het gezicht en in zijn hand
Een nerveuze staf van hazelaar
Die zijn heldere en schone voorhoofd herinnert
Misschien de lente die is afgevallen
De geur van natte kruit
Of de smaak van steenkool terwijl hij werkte
De grootvader was een mijnwerker, daar in de mijn
En terwijl hij zwarte steenkool groef, verbrandde hij zijn leven
De grootvader zit op de trap
Te wachten op de warme zon in de vroege ochtend
Met zijn blik gericht op de bergen
Die zijn trouwste vriend zijn, nooit bedriegen
Trillende hand gaat naar zijn zak
Zoekt naar de tabak en zijn boekje
En aan het einde, zoals altijd murmelend
Dat María zijn tabak verbergt
De grootvader was een mijnwerker, daar in de mijn
En terwijl hij zwarte steenkool groef, verbrandde hij zijn leven