395px

Danza macabra

Willem Vermandere

Dance macabre

Ik was lichtshes beschonken en 'k zag maar half klaar
in 't gat van december, in 't donkerst van 't jaar
op weg naar huis, deur sneeuw verblind
rond middernacht, deur een ijzige wind
en 'k blies in mijn handen en 'k sloeg z'op mekaar
'k wou dad ik thuis en in mijn bedde waar
Voorovergebogen nogal goe-kome-'t-uit
bots ik daar pardaf op ne rare perluit
de magerste mens die 'k van ze leven ooit zag
me' rammelende knoken en nen ijskelderlach
ne zwarte mantel, noch snit noch model
nen bleke scharminkel zonder vlees of vel

Welwel meneer Willem, nog zo laat op gang
zij'j gij allene in 't donker ni bang
ba neen'k meneer Beendermans absoluut niet
pardon, zei die knekelvent, 't is Piet
Pietshe de Dood, en hier is 't bewijs
van onder zijne mantel, een blinkend zeis

God sta me bij, ik sloeg een kruis
of ik geraak van de nacht ni meer levend thuis
kreveren op strate dad is onbetaamd
en heel mijn familie doodsbeschaamd
ik moet hier ontsnappen, kost wat kost
hoe geraak ik van die vent en da' zeis verlost

Héhé voorzichtig met dat scherp ding
staa me toe da'k eerst nog een liedshe zing
kijk mijn gitaar hè 'k al omklemd
en hoord plingpling z'is al gestemd
of nen dans macabre op de klarinet
of ne marche funèbre op de trompet

Voor da' die me' zijn zeis kon slaan
gaf ik katoen me' mijn stemorgaan
van " 'k ben zo eenzaam zonder jou
als ik jou niet in mijn armen hou"
en ook heel innig "chérie chérie"
ne schone vlaamsen potpourri

In 't holst van de nacht gelijk ne gek
zong ik het schuim op mijnen bek
van liebe, love en van amour
omda' da' zo schone rijmd op toujours
al flauwe kul maar efficiënt
die knokevent was doodkontent

Het zeis verdween onder zijne frak
"awelwel Willem je zij ne krak
ik doen mijnen job al eeuwen lang
nog nooit kreeg ik zo'n zoet gezang
nog nooit kreeg ik zo ne welkomstgroet
van één die 'k komen halen moet

En al trekt mijne kop op een kalebas
en hè 'k geen hert in mijn karkas
noch hersens darmen bloed of traan
noch zenuw noch geslachtsorgaan
toch zeg ik dank voor dit recital
en voor dit concert instrumental

Maar hoezeer da'k uw muziek waardeer
en uw zoete stem apprecieer
werk ik totaal ondergeschikt
't is mijnen baas die weegt en wikt
ik kreeg vannacht de simpele taak
slaa maar ne zanger aan den haak

Je moe' verstaan da'k mij excuseer
en liever ne collega presenteer
g'hèt nog drie Beatles of wa Rollingstones
of pak Madonna da's iets heel schoons
of Tina Turner een ferm stuk
of Margriet Hermans verrukkeluk

En zangers meneer magere Hein
g' hèt der hier dertien in een dozijn
heel schone jongens bij de vleet
de prinsen van de hit-parade
de mussen me' de merelbek
de grote meesters van de play-back

Maar Magermans riep stopstopstop
en hij schudde me' zijnen totsekop
van dat onsterflijk zangersras
kreeg ik er al heel veel onder 't gras
't is boter aan mijne galg gesmeerd
dad is een ras die nooit kreveert

Ik zoek veeleer ne stamelaar
ne langharige rijmelaar
zo één die 't al bekritikeerd
die paster en burgers ammerdeerd
't is u da 'k zocht al jaren lang
Willem zing nu maar uw zwanezang

Ik sloot die nacht in één twee drie
met magere Piet een compromis
gij komd mij halen op den dag
da 'k van niemand ni meer zingen mag
maar zolang da mijn lied de mens verblijd
laat je mij leven tot in eeuwigheid

Ik was lichtshes beschonken en 'k zag maar half klaar
in 't gat van december, in 't donkerst van 't jaar
op weg naar huis, deur sneeuw verblind
rond middernacht, deur nen ijzige wind
en 'k blies in mijn handen en 'k sloeg z'op mekaar
'k wou dad ik thuis en in mijn bed was
Voorovergebogen nogal goe-kome-'t-uit
bots ekik daar pardaf op ne rare perluit
de magerste mens dieh 'k van ze leven ooit zag
me' rammelende knoken en nen ijskelderlach
ne zwarte mantel, noch snit noch model
nen bleke scharminkel zonder vlees of vel

Welwel meneer Willem, nog zo laat op gang
zijde gij alleen in 't donker ni bang
ba neen'k meneer Beendermans absoluut ni
pardon, zei dieh knekelvent, 't is Piet
Pietshe de Dood, en hier is 't bewijs
van onder zijne mantel, een blinkend zeis

God sta me bij, ik sloeg een kruis
of ik geraak van de nacht ni meer levend thuis
kreveren op straat dad is onbetaamd
en heel mijn familie doodsbeschaamd
ik moet hier ontsnappen, kost wat kost
hoe geraak ik van dieh vent en die zeis verlost

Héhé voorzichtig me' da scherp ding
staa me toe da'k eerst nog een liedshe zing
kijkt mijn gitaar heb ek al omklemd
en hoord plingpling z'is al gestemd
of nen dans macabre op de klarinet
of ne marche funèbre op de trompet

Voor da' dieh me' zijn zeis kon slaan
gaf ek katoen me' mijn stemorgaan
van " 'k ben zo eenzaam zonder jou
als ik jou niet in mijn armen hou"
en ook heel innig "chérie chérie"
ne schone vlaamse potpourri

In 't holst van de nacht gelijk ne gek
zong ekik het schuim op mijnen bek
van liebe, love en van amour
omda' da' zo schoon rijmd op toujours
al flauwe kul maar efficiënt
dieh knokevent was doodkontent

Het zeis verdween onder zijne frak
"awelwel Willem ge zij ne krak
ik doen mijn job al eeuwen lang
nog nooit kreeg ek zo'n zoet gezang
nog nooit kreeg ek zo ne welkomstgroet
van ene dieh 'k komen halen moet

En al trekt mijne kop op een kalebas
en heb ek geen hart in mijn karkas
noch hersens darmen bloed of traan
noch zenuw noch geslachtsorgaan
toch zeg ek dank voor deze recital
en voor dees concert instrumental

Maar hoezeer da'k uw muziek waardeer
en uw zoete stem apprecieer
werk ik totaal ondergeschikt
't is mijnen baas dieh weegt en wikt
ik kreeg vannacht de simpele taak
slaa maar ne zanger aan den haak

Ge moet verstaan da'k mij excuseer
en liever ne collega presenteer
g'hebd nog drie Beatles of wa Rollingstones
of pakt Madonna da's iets heel schoons
of Tina Turner een ferm stuk
of Margriet Hermans verrukkeluk

En zangers meneer magere Hein
g' hebd der hier dertien in een dozijn
heel schone jongens bij de vleet
de prinsen van de hit-parade
de mussen me' de merelbek
de grote meesters van de play-back

Maar Magermans riep stopstopstop
en hij schudde me' zijnen totsekop
van dad onsterflijk zangersras
kreeg ek er al heel veel onder 't gras
't is boter aan mijne galg gesmeerd
dad is een ras da nooit kreveert

Ik zoek veeleer ne stamelaar
ne langharige rijmelaar
zo ene dieh 't al bekritiseerd
dieh paster en burgers ammerdeerd
't is u da 'k zocht al jaren lang
Willem zingd nu maar uwe zwanezang

Ik sloot dieh nacht in één twee drie
me' magere Piet een compromis
gij komd mij halen op den dag
da 'k van niemand ni meer zingen mag
maar zolang da mijn lied de mens verblijd
laat'e mij leven tot in eeuwigheid

Danza macabra

Estaba un poco ebrio y veía apenas con claridad
en el agujero de diciembre, en lo más oscuro del año
de regreso a casa, cegado por la nieve
alrededor de medianoche, por un viento helado
y soplaba en mis manos y las golpeaba juntas
quería estar en casa, en mi cama
Inclinado hacia adelante, un poco desorientado
me topé de repente con un extraño personaje
el hombre más delgado que jamás vi en mi vida
con huesos temblorosos y una risa de cripta
un manto negro, sin corte ni forma
un esqueleto pálido sin carne ni piel

Vaya, señor Willem, tan tarde en la noche
¿no tiene miedo de estar solo en la oscuridad?
no, señor Beendermans, absolutamente no
disculpe, dijo ese esqueleto, soy Piet
Piet el Muerte, y aquí está la prueba
de bajo su manto, una guadaña brillante

Dios mío, hice la señal de la cruz
o no llegaré a casa vivo esta noche
cadáveres en la calle, eso es inapropiado
y toda mi familia avergonzada
debo escapar de aquí, cueste lo que cueste
¿cómo me deshago de ese tipo y esa guadaña?

Oye, ten cuidado con esa cosa afilada
déjame cantar una canción primero
mira, ya tengo mi guitarra en mano
y escucha, ya está afinada
ya sea una danza macabra en el clarinete
o un marcha fúnebre en la trompeta

Antes de que pudiera golpearme con su guadaña
di todo con mi voz
de 'estoy tan solo sin ti
si no te tengo en mis brazos'
y también muy íntimo 'querida, querida'
un hermoso popurrí flamenco

En medio de la noche como un loco
canté hasta la espuma en mi boca
de amor, love y de amor
porque eso rima tan bien con siempre
todo un disparate pero eficaz
ese esqueleto estaba encantado

La guadaña desapareció bajo su abrigo
'bien, bien, Willem, eres un crack
hago mi trabajo desde hace siglos
nunca antes recibí un canto tan dulce
nunca antes recibí una bienvenida
de alguien a quien debo llevarme

Y aunque mi cabeza es una calabaza
y no tengo corazón en mi cuerpo
ni cerebro, tripas, sangre o lágrimas
ni nervios ni órganos sexuales
todavía agradezco este recital
y este concierto instrumental

Pero por mucho que aprecie tu música
y tu dulce voz
trabajo totalmente subordinado
es mi jefe quien decide y juzga
anoche me dieron la simple tarea
de llevarme a un cantante

Debes entender que me disculpo
y prefiero presentar a un colega
tienes tres Beatles o algunos Rolling Stones
o toma a Madonna, eso es algo muy bueno
o Tina Turner, una gran pieza
o Margriet Hermans, deliciosa

Y cantantes, señor Huesos
tienes aquí trece docenas
muchachos guapos por montones
los príncipes de la lista de éxitos
los gorriones con pico de mirlo
los grandes maestros del playback

Pero Magermans gritó alto alto alto
y sacudió su cabeza huesuda
de esa raza inmortal de cantantes
ya enterré a muchos
es mantequilla en mi horca
esa es una raza que nunca muere

Busco más bien a un balbuceador
un poeta de cabello largo
uno que critique todo
que moleste a curas y burgueses
eres tú a quien he buscado durante años
Willem, ahora canta tu canto de cisne

Cerré esa noche en un dos por tres
con el flaco Piet un compromiso
vendrás por mí en el día
cuando ya no pueda cantarle a nadie más
pero mientras mi canción alegra a la gente
me dejarás vivir hasta la eternidad

Estaba un poco ebrio y veía apenas con claridad
en el agujero de diciembre, en lo más oscuro del año
de regreso a casa, cegado por la nieve
alrededor de medianoche, por un viento helado
y soplaba en mis manos y las golpeaba juntas
quería estar en casa, en mi cama
Inclinado hacia adelante, un poco desorientado
me topé de repente con un extraño personaje
el hombre más delgado que jamás vi en mi vida
con huesos temblorosos y una risa de cripta
un manto negro, sin corte ni forma
un esqueleto pálido sin carne ni piel

Escrita por: