Le Corbeau Et Le Renard
Maître Corbeau, sur un arbre perché,
Tenait en son bec un fromage.
Maître Renard, par l'odeur alléché,
Lui tint à peu près ce langage :
"Hé ! bonjour, Monsieur du Corbeau.
Que vous êtes joli ! que vous me semblez beau !
Sans mentir, si votre ramage
Se rapporte à votre plumage,
Vous êtes le Phénix des hôtes de ces bois. "
A ces mots le Corbeau ne se sent pas de joie ;
Et pour montrer sa belle voix,
Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie.
Le Renard s'en saisit, et dit : "Mon bon Monsieur,
Apprenez que tout flatteur
Vit aux dépens de celui qui l'écoute :
Cette leçon vaut bien un fromage, sans doute. "
Le Corbeau, honteux et confus,
Jura, mais un peu tard, qu'on ne l'y prendrait plus.
De Raaf en de Vos
Meester Raaf, op een boom gezeten,
Had in zijn bek een kaas.
Meester Vos, door de geur verleid,
Sprak hem ongeveer als volgt toe:
"Hé! Goedemorgen, Meneer de Raaf.
Wat ziet u er mooi uit! Wat lijkt u knap!
Zonder te liegen, als uw gezang
Verhoudt zich tot uw verenkleed,
Bent u de Feniks van de bewoners van dit bos."
Bij deze woorden voelde de Raaf zich zo blij;
En om zijn mooie stem te tonen,
Opent hij zijn grote bek, laat zijn prooi vallen.
De Vos grijpt het, en zegt: "Mijn beste Meneer,
Leer dat elke vleier
Leeft ten koste van degene die luistert:
Deze les is zeker een kaas waard."
De Raaf, beschaamd en verward,
Zwoer, maar iets te laat, dat men hem daar niet meer zou pakken.