395px

Meester Alentejano

António Pinto Basto

Mestre Alentejano

Terra de grandes barrigas
Onde há tanta gente gorda
Às sopas chamam açorda
E à açorda chamam-lhe migas
Às razões chamam cantigas
Milhaduras são gorjetas
Maleitas dizem maletas
Em vez de encostas, chapadas
Em vez de açoites, nalgadas
E as bolotas são boletas

Terra mole é atasquero
Ir embora é abalar
Deitar fora é aventar
Fita de coiro é apero
Vaso com planta é cravero
Carpinteiro é abegão
E a choupana é cabanão
E às hortas chamam hortejos
Os cestos são cabanejos
E ao trigo chama-se pão

No resto de Portugal
Ninguém diz palavras tais
As terras baixas são vais
Monte de feno é frascal
Vestir bem parece mal
À aveia chamam cevada
E ao bofetão, orelhada
Alcofa grande é gorpelha
Égua lazã é vermelha
Poldra ‘Isabel’ é melada

Quando um tipo está doente
Logo dizem que está morto
E a todo o vau chamam porto
Chamam gajo a toda a gente
Vestir safões é corrente
Por acaso, é por adrego
E ao saco chamam talego
E até nas classes mais ricas
Ser janota é ser maricas
Ser beirão é ser galego

Os porcos medem-se às varas
E o peixe vende-se aos quilos
E a gente pasma de ouvi-los
Usar maneiras tão raras
Chamam relvas às searas
Às vezes, não sei porquê
E tratam por vomecê
Pessoas a quem venero
Não quero, diz-se: Não quero
Eu não sei, diz-se: Não sei

Meester Alentejano

Land van grote buiken
Waar zoveel dikke mensen zijn
Soepen noemen ze açorda
En açorda noemen ze migas
Redenen noemen ze liedjes
Milhaduras zijn fooien
Ziekten noemen ze koffers
In plaats van hellingen, kliffen
In plaats van straffen, klappen
En de eikels zijn boletas

Zacht land is een modderpoel
Weggaan is vertrekken
Afval is weggooien
Leren van leer is apero
Een pot met plant is cravero
Timmerman is abegão
En de hut is een cabanão
En de tuinen noemen ze hortejos
De manden zijn cabanejos
En de tarwe noemt men brood

In de rest van Portugal
Zegt niemand zulke woorden
De lage landen zijn vais
Een hooihoop is frascal
Goed gekleed zijn lijkt slecht
Haver noemen ze gerst
En een klap, orelhada
Een grote mand is gorpelha
Een lazige merrie is rood
Poldra ‘Isabel’ is melada

Wanneer iemand ziek is
Zeggen ze meteen dat hij dood is
En elke stroom noemen ze haven
Ze noemen iedereen gajo
Safões dragen is normaal
Per toeval, is het adrego
En de zak noemen ze talego
En zelfs in de rijkste klassen
Is een janota een maricas
Een beirão is een galego

De varkens worden gemeten met stokken
En de vis wordt per kilo verkocht
En we staan versteld van hun woorden
Zo'n vreemde manieren gebruiken
Ze noemen gras searas
Soms, weet ik niet waarom
En ze behandelen je als vomecê
Mensen die ik vereer
Zeg ik niet willen, dat zegt men: Niet willen
Ik weet het niet, dat zegt men: Niet weten

Escrita por: Fado Corrido, José Vasconselos e Sá