395px

De Bloem Die Je Mij Gaf

Andrea Bocelli

La Fleur Que Tu M'avais Jetée

La fleur que tu m'avais jetée,
Dans ma prison m'était restée.
Flétrie et séche, cette fleur
Gardait toujours sa douce odeur;
Et pendant des heures entiéres,
Sur mes yeux, fermant mes paupiéres,
De cette odeur je m'enivrais
Et dans la nuit je te voyais!
Je me prenais à te maudire,
À te détester, à me dire :
Pourquoi faut-il que le destin
L'ait mise là sur mon chemin?
Puis je m'accusais de blasphème,
Et je ne sentais en moi-même,
Je ne sentais qu'un seul désir,
Un seul désir, un seul espoir:
Te revoir, ô Carmen, ou,
te revoir!
Car tu n'avais eu qu'à paraître,
Qu'a jeter un regard sur moin
Pour t'emperer de tout mon être,
Ô ma Carmen!
Et j'étais une chose à toi
Carmen, je t'aime!

De Bloem Die Je Mij Gaf

De bloem die je me gaf,
Bleef in mijn gevangenis.
Verdord en droog, die bloem
Behield altijd zijn zoete geur;
En urenlang,
Met mijn ogen dicht,
Verdoofde ik me met die geur
En in de nacht zag ik je!
Ik begon je te vervloeken,
Je te haten, me te zeggen:
Waarom moet het lot
Je daar op mijn pad zetten?
Toen beschuldigde ik mezelf van godslastering,
En voelde ik in mezelf,
Voelde ik maar één verlangen,
Één verlangen, één hoop:
Je weer te zien, oh Carmen, of,
Je weer te zien!
Want je hoefde alleen maar te verschijnen,
Een blik op me te werpen
Om je van heel mijn wezen te maken,
Oh mijn Carmen!
En ik was een ding van jou,
Carmen, ik hou van je!

Escrita por: Georges Bizet / Henri Meilhac