395px

La canción de Pascua

Astrid Nijgh

Het Paaslied

In een visioen van storm, omringd door eenzaamheid
Zag ik Golgotha, waar 't kruis de hemel tartte
En God verhief zich in zijn majesteit
En aan zijn voeten lag zijn moeder vol van smarten

Toen sprak hij: "Vrouw, het is genoeg geweest
Daar kunt u verder ook niks aan veranderen
En in uw handen, Heer, beveel ik mijnen geest
Ween niet om mij, mevrouw, maar om uzelf en de anderen"

Toen zag ik ver van daar een jong soldaat op wacht
Een kind nog haast, wanhopig en verlaten
Ver van zijn moeder, tot hij in de koude nacht
Haar stem, die zacht zijn naam riep, dacht te horen

In een gezicht verscheen zijn moeder daar aan hem
Zo stralend, heel dicht bij, maar toch van verre
Hij kon niet spreken en de wind verwoei zijn stem
Ze zag er jonger uit en droeg een krans van sterren

Zij streelde zacht zijn jonge nek en blonde haar
Bood hem haar borsten en nam hem in haar armen
En toen pas wist hij wie zij was, herkende haar
Die hem in duisternis en dood daar kwam verwarmen

Het was zo lief, zoals hij bij haar lag
Zij, de glorierijke, onbevlekt ontvangen
Totdat het gloren van de ongeboren dag
Een zachte blos gaf aan zijn bleke dode wangen

La canción de Pascua

En una visión de tormenta, rodeado de soledad
Vi el Gólgota, donde la cruz desafía al cielo
Y Dios se elevó en su majestuosidad
Y a sus pies yacía su madre llena de dolor

Entonces él dijo: 'Mujer, es suficiente
No puedes cambiar nada más al respecto
Y en tus manos, Señor, encomiendo mi espíritu
No llores por mí, señora, sino por ti misma y los demás'

Luego vi lejos de allí a un joven soldado de guardia
Casi un niño, desesperado y abandonado
Lejos de su madre, hasta que en la fría noche
Creía escuchar su voz, suave, llamando su nombre

En una visión, su madre apareció ante él
Tan radiante, muy cerca pero aún lejos
No podía hablar y el viento se llevaba su voz
Ella lucía más joven y llevaba una corona de estrellas

Ella acarició su joven cuello y cabello rubio
Le ofreció su pecho y lo tomó en sus brazos
Y solo entonces él supo quién era ella, la reconoció
Quien vino a calentarlo en la oscuridad y la muerte

Fue tan dulce, como él yacía junto a ella
Ella, la gloriosa, concebida sin mancha
Hasta que el amanecer del día no nacido
Dio un suave rubor a sus pálidas mejillas muertas

Escrita por: