Drouot
Dans les paniers d'osier de la salle des ventes
Une gloire déchue des folles années trente
Avait mis aux enchères, parmi quelques brocantes
Un vieux bijou donné par quel amour d'antan
Elle était là, figée, superbe et déchirante
Les mains qui se nouaient, se dénouaient tremblantes
Des mains belles encore, déformées, les doigts nus
Comme sont nus, parfois, les arbres en novembre
Comme chaque matin, dans la salle des ventes
Bourdonnait une foule, fiévreuse et impatiente
Ceux qui, pour quelques sous, rachètent pour les vendre
Les trésors fabuleux d'un passé qui n'est plus
Dans ce vieux lit cassé, en bois de palissandre
Que d'ombres enlacées, ont rêvé à s'attendre
Les choses ont leurs secrets, les choses ont leurs légendes
Mais les choses murmurent si nous savons entendre
Le marteau se leva, dans la salle des ventes
Une fois, puis deux fois, alors, dans le silence
Elle cria: Je prends, je rachète tout ça
Ce que vous vendez là, c'est mon passé à moi
C'était trop tard, déjà, dans la salle des ventes
Le marteau retomba sur sa voix suppliante
Tout se passe si vite à la salle des ventes
Tout se passa si vite, on ne l'entendit pas
Près des paniers d'osier, dans la salle des ventes
Une femme pleurait ses folles années trente
Et revoyait soudain défiler son passé
Défiler son passé, défiler son passé
Car venait de surgir, du fond de sa mémoire
Du fond de sa mémoire, un visage oublié
Une image chérie, du fond de sa mémoire
Son seul amour de femme, son seul amour de femme
Hagarde, elle sortit de la salle des ventes
Froissant quelques billets, dedans ses main tremblantes
Froissant quelques billets, du bout de ses doigts nus
Quelques billets froissés, pour un passé perdu
Hagarde, elle sortit de la salle des ventes
Je la vis s'éloigner, courbée et déchirante
De son amours d'antan, rien ne lui restait plus
Pas même ce souvenir, aujourd'hui disparu
Drouot
In de rieten manden van de veilingzaal
Lag een gevallen glorie uit de dolle jaren dertig
Te koop aangeboden, tussen wat rommel
Een oude juweel gegeven door een liefde van weleer
Ze stond daar, verstijfd, prachtig en hartverscheurend
Haar handen die zich knoopten, weer loskwamen, trillend
Mooie handen nog, vervormd, met blote vingers
Zoals soms de bomen in november naakt zijn
Zoals elke ochtend, in de veilingzaal
Bromde een menigte, koortsig en ongeduldig
Degenen die, voor een paar centen, kopen om te verkopen
De fabuleuze schatten van een verleden dat niet meer is
In dit oude gebroken bed, van palissanderhout
Hebben schaduwfiguren gedroomd, elkaar wachtend
Dingen hebben hun geheimen, dingen hebben hun legendes
Maar dingen fluisteren als we weten te luisteren
De hamer werd geheven, in de veilingzaal
Een keer, dan twee keer, toen, in de stilte
Schreeuwde ze: Ik neem het, ik koop dit allemaal terug
Wat jullie daar verkopen, is mijn verleden
Het was al te laat, al in de veilingzaal
De hamer viel op haar smekende stem
Alles gaat zo snel in de veilingzaal
Alles ging zo snel, we hoorden het niet
Bij de rieten manden, in de veilingzaal
Huilde een vrouw om haar dolle jaren dertig
En zag plots haar verleden voorbijflitsen
Haar verleden voorbijflitsen, haar verleden voorbijflitsen
Want er kwam iets opborrelen, uit de diepte van haar geheugen
Uit de diepte van haar geheugen, een vergeten gezicht
Een geliefde afbeelding, uit de diepte van haar geheugen
Haar enige liefde als vrouw, haar enige liefde als vrouw
Verward verliet ze de veilingzaal
Vouwend wat biljetten, in haar trillende handen
Vouwend wat biljetten, met de toppen van haar blote vingers
Enkele gekreukte biljetten, voor een verloren verleden
Verward verliet ze de veilingzaal
Ik zag haar wegslenteren, gebogen en hartverscheurend
Van haar liefdes van weleer, was er niets meer over
Zelfs die herinnering, vandaag verdwenen