Changing Of The Guards
Sixteen years
Sixteen banners united over the field
Where the good shepherd grieves
Desperate men, desperate women divided
Spreading their wings 'neath the falling leaves
Fortune calls
I stepped forth from the shadows, to the marketplace
Merchants and thieves, hungry for power, my last deal gone down
She's smelling sweet like the meadows where she was born
On midsummer's eve, near the tower
The cold-blooded moon
The captain waits above the celebration
Sending his thoughts to a beloved maid
Whose ebony face is beyond communication
The captain is down but still believing that his love will be repaid
They shaved her head
She was torn between Jupiter and Apollo
A messenger arrived with a black nightingale
I seen her on the stairs and I couldn't help but follow
Follow her down past the fountain where they lifted her veil
I stumbled to my feet
I rode past destruction in the ditches
With the stitches still mending 'neath a heart-shaped tattoo
Renegade priests and treacherous young witches
Were handing out the flowers that I'd given to you
The palace of mirrors
Where dog soldiers are reflected
The endless road and the wailing of chimes
The empty rooms where her memory is protected
Where the angels' voices whisper to the souls of previous times
She wakes him up
Forty-eight hours later, the sun is breaking
Near broken chains, mountain laurel and rolling rocks
She's begging to know what measures he now will be taking
He's pulling her down and she's clutching on to his long golden locks
Gentlemen, he said
I don't need your organization, I've shined your shoes
I've moved your mountains and marked your cards
But Eden is burning, either brace yourself for elimination
Or else your hearts must have the courage for the changing of the guards
Peace will come
With tranquility and splendor on the wheels of fire
But will bring us no reward when her false idols fall
And cruel death surrenders with its pale ghost retreating
Between the King and the Queen of Swords
Verandering van de Wachters
Zestien jaar
Zestien banieren verenigd over het veld
Waar de goede herder treurt
Wanhopige mannen, wanhopige vrouwen verdeeld
Hun vleugels spreidend onder de vallende bladeren
Fortuin roept
Ik stapte uit de schaduw, naar de markt
Kooplieden en dieven, hongerig naar macht, mijn laatste deal is mislukt
Ze ruikt zoet als de weiden waar ze geboren is
Op de avond van de zomerzonnewende, nabij de toren
De koudbloedige maan
De kapitein wacht boven de viering
Stuur zijn gedachten naar een geliefde maid
Wiens ebbenhouten gezicht buiten communicatie is
De kapitein is neergestort maar gelooft nog steeds dat zijn liefde zal worden beloond
Ze heeft haar hoofd geschoren
Ze was verscheurd tussen Jupiter en Apollo
Een boodschapper arriveerde met een zwarte nachtegaal
Ik zag haar op de trap en kon niet anders dan volgen
Volg haar naar beneden langs de fontein waar ze haar sluier oplichtten
Ik struikelde op mijn voeten
Ik reed voorbij de verwoesting in de greppels
Met de hechtingen nog aan het genezen onder een hartvormige tatoeage
Afvallige priesters en verraderlijke jonge heksen
Gaven de bloemen die ik jou had gegeven
Het paleis van spiegels
Waar hondensoldaten worden weerspiegeld
De eindeloze weg en het walen van klokken
De lege kamers waar haar herinnering wordt beschermd
Waar de stemmen van engelen fluisteren naar de zielen van vroegere tijden
Ze wekt hem
Acht-en-veertig uur later, de zon breekt door
Bij gebroken ketens, berglaurier en rollende rotsen
Ze smeekt om te weten welke maatregelen hij nu zal nemen
Hij trekt haar naar beneden en zij houdt zich vast aan zijn lange gouden lokken
Heren, zei hij
Ik heb jullie organisatie niet nodig, ik heb jullie schoenen gepoetst
Ik heb jullie bergen verplaatst en jullie kaarten gemarkeerd
Maar het Eden brandt, of bereid je voor op eliminatie
Of jullie harten moeten de moed hebben voor de verandering van de wachters
Vrede zal komen
Met rust en pracht op de wielen van vuur
Maar zal ons geen beloning brengen wanneer haar valse idolen vallen
En wrede dood zich overgeeft met zijn bleke geest die zich terugtrekt
Tussen de Koning en de Koningin van Zwaarden