395px

De Man van de Kastanjes

Carlos do Carmo

O Homem das Castanhas

Na Praça da Figueira,
ou no Jardim da Estrela,
num fogareiro aceso é que ele arde.
Ao canto do Outono,à esquina do Inverno,
o homem das castanhas é eterno.
Não tem eira nem beira, nem guarida,
e apregoa como um desafio.

É um cartucho pardo a sua vida,
e, se não mata a fome, mata o frio.
Um carro que se empurra,
um chapéu esburacado,
no peito uma castanha que não arde.
Tem a chuva nos olhos e tem o ar cansado
o homem que apregoa ao fim da tarde.
Ao pé dum candeeiro acaba o dia,
voz rouca com o travo da pobreza.
Apregoa pedaços de alegria,
e à noite vai dormir com a tristeza.

Quem quer quentes e boas, quentinhas?
A estalarem cinzentas, na brasa.
Quem quer quentes e boas, quentinhas?
Quem compra leva mais calor p'ra casa.

A mágoa que transporta a miséria ambulante,
passeia na cidade o dia inteiro.
É como se empurrasse o Outono diante;
é como se empurrasse o nevoeiro.
Quem sabe a desventura do seu fado?
Quem olha para o homem das castanhas?
Nunca ninguém pensou que ali ao lado
ardem no fogareiro dores tamanhas.

Quem quer quentes e boas, quentinhas?
A estalarem cinzentas, na brasa.
Quem quer quentes e boas, quentinhas?
Quem compra leva mais amor p'ra casa.

De Man van de Kastanjes

Op het Figueira-plein,
of in de Sterren tuin,
bij een brandend vuurtje is hij aan het branden.
Bij de herfstklanken, op de hoek van de winter,
is de man van de kastanjes eeuwig.
Hij heeft geen schuilplaats, geen plek om te zijn,
en hij roept als een uitdaging.

Zijn leven is een bruine koker,
en, als het de honger niet stilt, dan de kou.
Een kar die je duwt,
een hoed vol gaten,
op zijn borst een kastanje die niet brandt.
Hij heeft de regen in zijn ogen en een vermoeide lucht,
de man die roept aan het eind van de middag.
Bij een lantaarn eindigt de dag,
met een schorre stem en de smaak van armoede.
Hij roept stukjes vreugde,
en 's nachts gaat hij slapen met verdriet.

Wie wil warme en goede, warme?
Die knapperig zijn, grijs op de kolen.
Wie wil warme en goede, warme?
Wie koopt, neemt meer warmte mee naar huis.

De pijn die de zwervende ellende met zich meedraagt,
wandelend door de stad de hele dag.
Het is alsof hij de herfst vooruit duwt;
het is alsof hij de mist vooruit duwt.
Wie kent het ongeluk van zijn lot?
Wie kijkt naar de man van de kastanjes?
Niemand heeft ooit gedacht dat daar naast hem
in het vuurtje zulke pijn brandt.

Wie wil warme en goede, warme?
Die knapperig zijn, grijs op de kolen.
Wie wil warme en goede, warme?
Wie koopt, neemt meer liefde mee naar huis.

Escrita por: Paulo Carvalho