Caboclo na Cidade
Seu moço eu já fui roceiro no Triângulo Mineiro onde eu tinha meu ranchinho
Eu tinha uma vida boa com a Isabel minha patroa e quatro barrigudinhos
Eu tinha dois bois carreiros, muito porco no chiqueiro e um cavalo bom, arriado
Espingarda cartucheira, quatorze vacas leiteiras e um arrozal no banhado
Na cidade eu só ia a cada quinze ou vinte dias pra vender queijo na feira
E no mais estava folgado todo dia era feriado pescava a semana inteira
Muita gente assim me diz, que não tem mesmo raiz essa tal felicidade
Então aconteceu isso, resolvi vender o sítio e vir morar na cidade
Já faz mais de doze anos que eu aqui já to morando, como eu tô arrependido
Aqui tudo é diferente, não me dou com essa gente, vivo muito aborrecido
Não ganho nem pra comer já não sei o que fazer tô ficando quase louco
É só luxo e vaidade, penso até que a cidade não é lugar de caboclo
Minha filha Sebastiana, que sempre foi tão bacana, me dá pena da coitada
Namorou um cabeludo que dizia ter de tudo, mas fui ver não tinha nada
Se mandou pra outras bandas, ninguém sabe onde ele anda e a filha tá abandonada
Como dói meu coração, ver a sua situação, nem solteira e nem casada
Até mesmo a minha véia, já tá mudando de ideia, tem que ver como passeia
Vai tomar banho de praia, tá usando mini-saia e arrancando a sobrancelha
Nem comigo se incomoda, quer saber de andar na moda, com as unhas todas vermelhas
Depois que ficou madura, começou a usar pintura, credo em cruz que coisa feia
Voltar "pra" Minas Gerais, sei que agora não dá mais, acabou o meu dinheiro
Que saudade da palhoça, eu sonho com a minha roça no Triângulo Mineiro
Nem sei como se deu isso ,quando eu vendi o sítio para vir morar na cidade
Seu moço naquele dia eu vendi minha família e a minha felicidade!
Caboclo in de Stad
Meneer, ik was ooit boer in het Triângulo Mineiro waar ik mijn kleine huisje had
Ik had een goed leven met Isabel, mijn bazin, en vier dikke kindertjes
Ik had twee trekdieren, veel varkens in de stal en een goed paard, bereden
Een jachtgeweer, veertien melkkoeien en een rijstveld in het moeras
In de stad ging ik maar eens in de vijftien of twintig dagen om kaas op de markt te verkopen
En verder was ik elke dag vrij, het leek wel een feest, ik viste de hele week
Veel mensen zeggen me, dat je geen wortels hebt, die zogenaamde geluk
Toen gebeurde het, ik besloot de boerderij te verkopen en naar de stad te verhuizen
Het is nu al meer dan twaalf jaar dat ik hier woon, wat ben ik spijtig
Hier is alles anders, ik kan niet opschieten met deze mensen, ik leef erg ongelukkig
Ik verdien niet eens genoeg om te eten, ik weet niet meer wat te doen, ik word bijna gek
Het is alleen maar luxe en ijdelheid, ik denk zelfs dat de stad geen plek is voor een caboclo
Mijn dochter Sebastiana, die altijd zo leuk was, ik heb medelijden met het arme kind
Ze had een lange man die zei dat hij alles had, maar ik zag dat hij niets had
Hij is naar andere oorden vertrokken, niemand weet waar hij is en het kind is verlaten
Wat doet het pijn in mijn hart, haar situatie te zien, ze is geen vrijgezel en geen getrouwde
Zelfs mijn oude vrouw, begint van gedachten te veranderen, je moet zien hoe ze zich gedraagt
Ze gaat naar het strand, draagt een mini-jurk en trekt haar wenkbrauwen uit
Ze maakt zich niet eens druk om mij, wil alleen maar in de mode lopen, met al haar nagels rood
Nadat ze volwassen werd, begon ze make-up te dragen, jeetje, wat een lelijkheid
Terug naar Minas Gerais, ik weet dat het nu niet meer kan, mijn geld is op
Wat mis ik de hut, ik droom van mijn akker in het Triângulo Mineiro
Ik weet niet hoe dit is gebeurd, toen ik de boerderij verkocht om naar de stad te verhuizen
Meneer, op die dag verkocht ik mijn familie en mijn geluk!