Het Lied Van de Dorpsidioot
Het koele water lokt mij meer en meer steeds aan.
Dan wil ik er met bei' mijn blote voeten in gaan staan.
De zachte blote vissen glissen om mij heen,
mijn hoofd dwaalt als een vogel om mijn denken heen...
De mensen in het dorp, de smid en dan de boeren,
de vrouwen die gaan winkelen of schrobben aan hun vloeren;
ze zeggen dat ik gek ben,
dat mijn hoofd niet denken kan.
Mijn hoofd is slechts het hoofd van een gelukkig man...
Het koele water schijnt mij
steeds weer zachter toe.
Ik ga een beetje zitten want ik voel me wel wat moe.
De stille vissen glijden zachtjes langs mijn hart.
Mijn hoofd is als een vogel met de wind verward...
De mensen in het dorp, die kunnen maar niet vatten,
dat loze wind mij beter past dan brandhout hakken.
Ze zeggen: "zie hemlopen met die vreemd-idiote grijns!.."
Ik grijns niet maar ik glimlach om mijn vredig gepeins...
Het koele water vlijt zich dicht tegen mij aan.
Geen mens die me weerhoudt, geen mens meer om het af te slaan.
Ik lig gewoon wat neer met bei' mijn ogen moe.
De vogels en de vissen zijn aan minnen toe...
De mensen in het dorp, of zij het niet geloofden,
ze komen naar mij zien en schudden met hun zware hoofden.
Ze zeggen: "Zie hem liggen... nou heeft ie zich verzopen!
Ik glimlach, want er ligt een paradijs hier voor mij open...
Tekst: Marie-France Daenen
Muziek: Paul Heyninck
Arr.: Leo Cools
La Canción de la Canción de la Aldea
El agua fría me atrae cada vez más
Entonces quiero pararme en ella con mis pies descalzos
Los peces desnudos se deslizan a mi alrededor
Mi cabeza vaga como un pájaro alrededor de mi mente
La gente del pueblo, el herrero y luego los campesinos
las mujeres que van de compras o limpian sus pisos
Dicen que estoy loco
que mi cabeza no puede pensar
Mi cabeza es sólo la cabeza de un hombre feliz
El agua fría me brilla
más suave una y otra vez
Voy a sentarme un poco porque me siento un poco cansado
Los peces silenciosos se deslizan suavemente sobre mi corazón
Mi cabeza es como un pájaro confundido con el viento
La gente del pueblo, no pueden capturar
que el viento vacío me sienta mejor que cortar leña
Dicen: «¡Véalo caminar con esa extraña sonrisa idiota!
No sonrío, pero sonrío a mi pensamiento pacífico
El agua fría se sienta cerca de mí
No hay humano que me detenga, no más humano que lo rechaze
Estoy acostado con los ojos cansados
Los pájaros y los peces están en necesidad de desventajas
La gente del pueblo, si no lo creeron
Vienen a verme y sacudir sus pesadas cabezas
Dicen: «¡Míralo... ahora se ahogó!
Sonrío, porque hay un paraíso aquí abierto para mí
Texto: Marie-France Daenen
Música: Paul Heyninck
Arr.: Leo Cools