Goud
Eens was 'k een werkman, vlijtig en tevreden
Ik had een vrouw, mijn allerliefsten schat
Maar toen berichten plots de ronde deden
Dat men in 't Westen goud gevonden had
Toen liet ik mij door 't avontuur verlokken
Omdat mijn hart begerig was en boud
Ik ben met haar terstond daarheen getrokken
Fortuna wenkte: "Goud, goud"
Het was een zwaar, ja schier ondraaglijk leven
Een schaam'le hut, omringd door barren steen
Ik werd door felle gouddorst voortgedreven
Mijn lieve vrouw, zij kwijnde langzaam heen
Op zeek'ren morgen, kracht'loos neergezegen
Zag zij mij aan, door pijn en koorts benauwd
Zij smeekte mij, een dag haar te verplegen
Ik kon niet wachten, goud, goud
Ik zwoegde voort op schoenen half versleten
Door zon verzengd, door 't zoeken uitgeput
'k Ontdekte goud, de rampspoed was vergeten
En met mijn schatten sneld' ik naar de hut
Maar ijs'lijk was de schrik die mij verbeidde
Daar lag mijn vrouw, bewegingloos en koud
Eens leefd' ik arm, doch vredig aan heur zijde
Thans rest mij niets dan goud, goud
Oro
Una vez fui un trabajador, diligente y satisfecho
Tenía una esposa, mi tesoro más querido
Pero cuando de repente llegaron noticias
De que habían encontrado oro en el Oeste
Me dejé tentar por la aventura
Porque mi corazón era codicioso y audaz
Me fui con ella de inmediato
La fortuna me llamaba: "Oro, oro"
Fue una vida dura, casi insoportable
Una humilde choza, rodeada de piedras estériles
Fui impulsado por una fuerte sed de oro
Mi dulce esposa, se marchitaba lentamente
Una mañana, caído sin fuerzas
Ella me miró, angustiada por el dolor y la fiebre
Me suplicó que la cuidara un día
No pude esperar, oro, oro
Trabajé con zapatos medio gastados
Quemado por el sol, agotado por la búsqueda
Descubrí oro, olvidé la desgracia
Y con mis riquezas corrí hacia la choza
Pero terrible fue el horror que me esperaba
Allí yacía mi esposa, inmóvil y fría
Una vez viví pobre, pero en paz a su lado
Ahora no me queda nada más que oro, oro