395px

¿Los granjeros?.... Tontos

Eduard Jacobs

De boeren?.... Domme lui

Bij mensen uit de grote steden
Behoort het bijna tot de zeden
Zij denken zich aan het wereldroer
Zijn vol verachting voor een boer
Maar komt de zomer in het land
En men behoort tot zeek're stand
Dan ontvluchten ze die steden
Vinden het op het land een Eden
Aan zaken wordt niet meer gedacht
Een fiets van twintig paardenkracht
Daarmee rolt hij door bos en velden
Tot zijn maag zich dan doet gelden
Dan deelt hij met plezier het voer
Van die zo diep verachte boer
Maar die heeft maling aan zo'n vent
Verkoopt 'em bocht voor 'n goede cent
De rest mag hij naar koekeloeren
En men zegt: 't Zijn domme lui.... de boeren

De stedeling in zijn jonge jaren
Brengt men niet makkelijk tot bedaren
Ternauw de zestien jaar bereikt
Hij alreeds naar de meisjes kijkt
Maar doet hij later eens een keus
Daarmee zelfs stoot een man zijn neus
Men raadpleegt vrienden en bekenden
Hoort dat hij slap is in zijn lenden
InAken heeft hij reeds gebaad
Dat is voor reumatiek niet kwaad
Tenslotte zegt men in vertrouwen
Dat hij uit lijfsbehoud moet trouwen
Maar ziet daarginds! Die boerenzoon
Van vrijen weet hij nog geen boon
Kent hij z'n vak, is kloek en sterk
Dan maakt hij van een meisje werk
Die eens zijn huishouwen zal voeren
En men zegt: 't zijn domme lui.... de boeren

Maar in de stad zijn zoveel vrouwen
De stedeling vindt een en gaat trouwen
Maar als de vos is onze Piet
Verliest zijn haar... zijn streken niet
Eer zit ze vaak alleen en wacht
Dan komt hij heel niet thuis de nacht
Uit brieven die ze heeft gevonden
Verneemt ze ook z'n ouwe zonden
Haar ogen heeft ze rood gegriend
En dan opeens verschijnt een vriend
Die licht haar in omtrent zijn streken
En saam met hem gaat ze zich wreken
Maar op het land daarvan geen spoor
Daar komt bedrog maar zelden voor
Jan mint z'n Stien en Stien mint Jan
Hij heeft een vrouw, zij heeft een man
Die eens elkander trouw bezwoeren
En men zegt: 't zijn domme lui.... de boeren

Maar is een jaartje soms vervlogen
Zegt soms een steed'ling opgetogen
Nu is het uit met wijn en Trijn
Want ik zal weldra vader zijn
En weldra komt die grote dag
Het kind ontvangt hij met gelach
Hij is zo blij, want hij is vader
Maar hij verschrikt, beziet-ie 't nader
Papa is bruin, het kind is blond
En van neef Jan heeft het de mond
De oogjes van een van zijn vrienden
Het neusje van een van zijn bedienden
Heel anders is de boerenstand
Komt daar zo'n kleine afgezant
Begroet met vreugd' men de ooievaar
En liekt het jong krek op zien vaar
Geen boer zou ooit z'n vrouw beloeren
En men zegt: 't zijn domme lui.... de boeren

¿Los granjeros?.... Tontos

Entre la gente de las grandes ciudades
Casi es costumbre
Ellos se creen en el timón del mundo
Despreciando a los granjeros
Pero cuando llega el verano
Y pertenecen a una clase segura
Entonces huyen de esas ciudades
Encuentran en el campo un Edén
No piensan en negocios
Una bicicleta de veinte caballos de fuerza
Con la que rueda por bosques y campos
Hasta que su estómago gruñe
Entonces comparte con gusto la comida
De ese granjero tan despreciado
Pero a él no le importa ese tipo
Le vende basura por un buen precio
El resto puede mirar hacia otro lado
Y dicen: 'Son tontos.... los granjeros'

El citadino en sus años jóvenes
No se calma fácilmente
Apenas alcanza los dieciséis años
Ya está mirando a las chicas
Pero cuando finalmente elige
Incluso un hombre se equivoca
Consulta a amigos y conocidos
Escucha que es débil en su espalda
Ya se ha bañado en Aquisgrán
Eso no está mal para la reumatismo
Finalmente, en confianza dicen
Que por su bienestar debe casarse
Pero mira allá! Ese hijo de granjero
No tiene idea de cómo cortejar
Si conoce su oficio, es valiente y fuerte
Entonces hace que una chica trabaje
Que una vez dirigirá su hogar
Y dicen: 'Son tontos.... los granjeros'

Pero en la ciudad hay tantas mujeres
El citadino encuentra una y se casa
Pero como el zorro es nuestro Pedro
Pierde su cabello... pero no sus travesuras
A menudo se sienta sola y espera
Él no vuelve a casa por la noche
De las cartas que ha encontrado
Se entera de sus viejos pecados
Ha llorado con los ojos rojos
Y de repente aparece un amigo
Que la informa sobre sus travesuras
Y juntos se vengan
Pero en el campo no hay rastro de eso
Allí el engaño es raro
Juan ama a su Estela y Estela ama a Juan
Él tiene una esposa, ella tiene un esposo
Que una vez se prometieron fidelidad mutua
Y dicen: 'Son tontos.... los granjeros'

Pero si ha pasado un año
A veces un citadino dice emocionado
Se acabó el vino y Trijntje
Porque pronto seré padre
Y pronto llegará ese gran día
Recibe al niño con risas
Está tan feliz, porque es padre
Pero se asusta, mira más de cerca
Papá es moreno, el niño es rubio
Y tiene la boca de su primo Juan
Los ojos de uno de sus amigos
La nariz de uno de sus sirvientes
La clase de los granjeros es diferente
Cuando llega un pequeño emisario
Se recibe con alegría a la cigüeña
Y el niño se parece mucho a su padre
Ningún granjero espiaría a su esposa
Y dicen: 'Son tontos.... los granjeros'

Escrita por: