De oude bokken
Heel deftig ziet men ze flaneren
Nog zeer coquet, in mooie kleren
In bonten jas, met wandelstokken
De ouwe bokken
Gewoonlijk ziet men ze in het donker
Bij maneschijn en stergeflonker
't Gelaat in strakke plooi getrokken
De ouwe bokken
Ze zeggen thuis, na het dineren:
" 'k Ga wand'len om te digereren!"
Ze kunnen toch zo lekker jokken
De ouwe bokken
Eerst in de buurt van Suisse of Polen
Voor 't raam in 'n hoekje weggescholen
Zo turend door hun gouden fokken
De ouwe bokken
Gaan ze meest weg zo tegen negen
Dan komen ze de meissies tegen
Die van d'r winkels komen sjokken
De ouwe bokken
Dat is het aas waarom ze geven
Ze zijn blase van oude teven
En houden nu van korte rokken
De ouwe bokken
Die sympathie is wederkerig
Zo'n snotmeid ook is niet afkerig
Om 's avonds wat te zitten grokken
Met ouwe bokken
Ze kunnen voor 'n moment vergeten
Dat zij het kind zijn van proleten
En laten zich zo graag verlokken
Door ouwe bokken
Ze zien geen kwaad er in, want waarlijk
Zo'n grijsaard is toch niet gevaarlijk
Het blijft bij lachen en bij jokken
Met ouwe bokken
Zo denkt gewoonlijk 't loze kleintje
En zit dan achter 'n groen gordijntje
Aan 't ouderlijk oog onttrokken
Met ouwe bokken!
Eerst blijft het bij gezellig kouten
Hij durft zich hoogstens maar verstouten
Zo eventjes... zo... aan d'r rokken...
De ouwe bokken
Maar is eenmaal het ijs gebroken
Dan wordt 'n and're taal gesproken
De taal die haar in 't net moet lokken
Van ouwe bokken
Ze weten goed, die ouwe heren
Met geld is alles te regeren
Zelfs de onschuld, als ze maar goed dokken
De ouwe bokken
Daarbij... ze heeft 'n hoedje nodig...
Ook 'n boa is niet overbodig
En hij spreekt haar van zijden rokken...
Ja, ouwe bokken
Door 't toverwoord van mooie kleren
Liet menig meisje zich onteren
Vaak door dat tuig met grijze lokken
Ouwe bokken!
Zo'n ronselaar voor 't hoerenleger
Hij doet zich voor als mild verpleger!.
Wie zijn 't die lichtekooien fokken?
De ouwe bokken!
En ziet men ze in hun daag'lijks leven
Vaak zou men ze de hemel geven
Zo vroom!... Wat zal je daaraan jokken!
De ouwe bokken!
De kerk telt ze onder haar getrouwen
Ze steunen zelfs gevallen vrouwen
Die zij zelf met hun bloedgeld lokken
Bah! Stinkbokken!
Los viejos cabrones
Muy elegantes se les ve pasear
Aún muy coquetos, con hermosas ropas
Con abrigos de piel, con bastones
Los viejos cabrones
Por lo general se les ve en la oscuridad
A la luz de la luna y las estrellas brillantes
Con el rostro en una expresión seria
Los viejos cabrones
En casa dicen, después de cenar:
'¡Voy a dar un paseo para digerir!'
Pueden mentir tan bien
Los viejos cabrones
Primero cerca de Suiza o Polonia
Frente a la ventana, escondidos en un rincón
Mirando a través de sus gafas de oro
Los viejos cabrones
Suelen salir alrededor de las nueve
Entonces se encuentran con las chicas
Que salen de sus tiendas caminando lentamente
Los viejos cabrones
Esa es la carnada que les interesa
Están hartos de viejas
Y ahora les gustan las faldas cortas
Los viejos cabrones
Esa simpatía es mutua
Una jovencita tampoco se niega
A sentarse a beber algo por la noche
Con los viejos cabrones
Por un momento pueden olvidar
Que son hijos de proletarios
Y se dejan seducir fácilmente
Por los viejos cabrones
No ven mal en ello, porque realmente
Un anciano no es peligroso
Se queda en risas y mentiras
Con los viejos cabrones
Así piensa normalmente la joven astuta
Y se esconde detrás de una cortina verde
Fuera de la vista de los padres
Con los viejos cabrones
Al principio es solo charla amigable
Se atreve a tocarla solo un poco
Así, un poco... así... en su falda...
Los viejos cabrones
Pero una vez rota la barrera
Entonces se habla otro idioma
El idioma que la atrapará en su red
De los viejos cabrones
Ellos saben bien, esos viejos caballeros
Con dinero pueden controlarlo todo
Incluso la inocencia, si pagan bien
Los viejos cabrones
Además... ella necesita un sombrero...
Tampoco está de más una estola
Y él le habla de faldas de seda...
Sí, viejos cabrones
Con la palabra mágica de hermosas ropas
Muchas chicas se dejaron deshonrar
A menudo por esa escoria con cabello gris
¡Viejos cabrones!
Un reclutador para el ejército de prostitutas
¡Se hace pasar por un amable cuidador!
¿Quiénes son los que crían a las prostitutas?
¡Los viejos cabrones!
Y si los ves en su vida diaria
A menudo los considerarías santos
¡Tan piadosos!... ¡No me hagas reír!
¡Los viejos cabrones!
La iglesia los cuenta entre sus fieles
Incluso apoyan a mujeres caídas
A las que ellos mismos atraen con su dinero manchado
¡Bah! ¡Asquerosos cabrones!