Signorinella
Signorinella pallida
dolce dirimpettaia del quinto piano,
non v'è una notte ch'io non sogni Napoli
e son vent'anni che ne sto lontano.
Al mio paese nevica,
il campanile della chiesa è bianco,
tutta la legna è diventata cenere,
io ho sempre freddo e sono triste e stanco.
Amore mio, non ti ricordi
che nel dirmi addio
mi mettesti all'occhiello una pansè
poi mi dicesti con la voce tremula:
Non ti scordar di me.
Bei tempi di baldoria,
dolce felicità fatta di niente.
Brindisi coi bicchieri colmi d'acqua
al nostro amore povero e innocente.
Negli occhi tuoi passavano
una speranza, un sogno e una carezza,
avevi un nome che non si dimentica,
un nome lungo e breve: Giovinezza.
Il mio piccino,
in un mio vecchio libro di latino,
ha trovato - indovina - una pansè.
Perchè negli occhi mi tremò una lacrima?
Chissà, chissà perchè!
E gli anni e i giorni passano
eguali e grigi con monotonia,
le nostre foglie più non rinverdiscono,
signorinella, che malinconia!
Tu innamorata e pallida
più non ricami innanzi al tuo telaio,
io qui son diventato il buon Don Cesare,
porto il mantello a ruota e fo il notaio.
Lenta e lontana,
mentre ti penso, suona la campana
della piccola chiesa del Gesu,
e nevica, vedessi come nevica:
Ma tu, dove sei tu.
Meisje van het Vijfde Verdieping
Meisje van het Vijfde Verdieping
zoet, tegenover me, op de vijfde verdieping,
er is geen nacht dat ik niet droom van Napoli
en ik ben al twintig jaar weg van daar.
In mijn land sneeuwt het,
de toren van de kerk is wit,
alle hout is as geworden,
ik heb altijd koud en ben verdrietig en moe.
Mijn liefde, herinner je je niet
dat je me bij het afscheid
een viooltje op mijn revers stak
en toen zei je met een trillende stem:
Vergeet me niet.
Mooie tijden van feesten,
zoete geluk gemaakt van niets.
Proost met glazen vol water
toostend op onze arme en onschuldige liefde.
In jouw ogen passeerden
een hoop, een droom en een streling,
je had een naam die je niet vergeet,
een naam die lang en kort is: Jeugd.
Mijn kleine,
heeft in een oud Latijns boek van mij
een viooltje gevonden - raad eens -.
Waarom trilde er een traan in mijn ogen?
Wie weet, wie weet waarom!
En de jaren en de dagen verstrijken
gelijk en grijs met monotonie,
onze bladeren worden niet meer groen,
meisje, wat een melancholie!
Jij, verliefd en bleek,
maakt niet meer voor je weefgetouw,
ik ben hier de goede Don Cesare geworden,
ik draag de mantel en ben notaris.
Langzaam en ver,
terwijl ik aan je denk, klinkt de bel
af de kleine kerk van de Jezus,
en het sneeuwt, je zou eens moeten zien hoe het sneeuwt:
Maar jij, waar ben jij?