Abendrot
Still lieg ich in welken Blättern,
Die der Wald mir hat gelegt.
Spüre kaum den Schlag des Herzens,
wie mein Leben sacht vergeht.
Ohne Kraft sind Geist und Glieder,
Öde Leere mich verschlingt.
Bis des Traumes süße Schwere
Meiner Seele Ruhe bringt.
War es Blut aus meinen Wunden,
Die mir Lebensschmerz stach tief.
Oder nur das Rot der Sonne,
Das über Abendhimmel lief.
Wanken seh ich erste Schatten,
Bis auch jenes Rot erstirbt.
Dunkelheit streicht um die Schläfen,
Um meinen letzten Atem wirbt.
Wanken seh ich erste Schatten,
Bis auch jenes Rot erstirbt.
Dunkelheit streicht um die Schläfen,
Um meinen letzten Atem wirbt.
Avondrood
Still lig ik in verwelkte bladeren,
Die het bos mij heeft gegeven.
Voel nauwelijks de klop van mijn hart,
Hoe mijn leven langzaam vergaat.
Zonder kracht zijn geest en leden,
Lege woestenij verslindt mij.
Tot de zoete zwaarte van de droom
Mijn ziel rust en vrede biedt.
Was het bloed uit mijn wonden,
Dat de levenspijn diep stak?
Of alleen het rood van de zon,
Dat over de avondhemel liep?
Wankelend zie ik eerste schaduwen,
Tot ook dat rood vergaat.
Donkerte streelt om de slapen,
Om mijn laatste adem vraagt.
Wankelend zie ik eerste schaduwen,
Tot ook dat rood vergaat.
Donkerte streelt om de slapen,
Om mijn laatste adem vraagt.