395px

Dama gris

Boudewijn De Groot

Grijze dame

op een stille zondagmorgen
staat ze plotseling voor mijn deur
en ze fluistert: mag ik binnen?
en ik ruik opeens de geur.
alles gaat weer terug naar vroeger,
naar de dagelijkse sleur
van treiteren en smijten
met de deuren.

ik weet niet wat ik doen moet,
want het is nog veel te vroeg.
de dagen worden langer
en er is nog tijd genoeg.
ach, ze heeft nog zoveel
eindeloze uren voor de boeg.
wat onafwendbaar is,
zal vroeg of laat gebeuren.

zo staat ze daar en kijkt me aan,
verdriet spreekt uit haar grijze ogen.
ze lacht en schrikt - weet niet waarom;
waarom zou dat niet mogen?
ze heeft toch niets misdaan?

het is al dertig jaar geleden
dat ze 'm niet meer wilde zien.
maar zijn haat is er nog altijd,
en de eenzaamheid misschien.
in haar woorden schuilt de vraag:
zeg me waar ik het aan verdien.
ze heeft het eigenlijk
nooit willen geloven.

de waanzin die het leven
van hen tweeën heeft gesloopt,
de wrok waarmee de eindjes
aan elkaar worden geknoopt:
ze kan haast niet meer zonder,
ook al heeft ze 't wel gehoopt:
de verlossing komt,
zoals altijd, van boven.

zo zit ze daar en kijkt me aan,
verdriet spreekt uit haar bange ogen.
ze lacht en schrikt - weet niet waarom;
waarom zou dat niet mogen?
ze heeft toch niets misdaan?

dan opeens beven haar handen
en haar ogen zijn in nood.
ik wacht met ingehouden adem;
ze kijkt gelaten naar haar schoot
en ik weet wat het betekent
als ze zegt: nu is-ie dood…

zo staat ze daar en kijkt me aan,
verdriet spreekt uit haar zachte ogen.
ze lacht en knikt en draait zich om
al heeft ze 't overwogen
ze heeft het niet gedaan

Dama gris

en una tranquila mañana de domingo
de repente está frente a mi puerta
y susurra: ¿puedo entrar?
y de repente percibo el olor.
todo vuelve al pasado,
a la rutina diaria
de molestar y golpear
las puertas.

no sé qué hacer,
pues aún es muy temprano.
los días se hacen más largos
y hay tiempo de sobra.
oh, tiene tantas
horas interminables por delante.
lo inevitable
sucederá tarde o temprano.

así que ahí está, mirándome,
tristeza en sus ojos grises.
sonríe y se asusta - ¿por qué?
¿por qué no debería?
¿acaso no ha hecho nada mal?

han pasado treinta años
desde que no quería verlo más.
pero su odio sigue presente,
y tal vez la soledad.
en sus palabras hay una pregunta:
dime ¿por qué merezco esto?
realmente
nunca quiso creerlo.

la locura que ha destrozado
sus vidas,
el rencor con el que
se atan los cabos:
apenas puede vivir sin ello,
incluso si lo había esperado:
la redención llega,
como siempre, desde arriba.

así que ahí está, mirándome,
tristeza en sus ojos asustados.
sonríe y se asusta - ¿por qué?
¿por qué no debería?
¿acaso no ha hecho nada mal?

entonces de repente tiemblan sus manos
y sus ojos están en apuros.
espero con la respiración contenida;
ella mira resignada a su regazo
y sé lo que significa
cuando dice: ahora está muerto...

así que ahí está, mirándome,
tristeza en sus ojos suaves.
sonríe y asiente y se da la vuelta
aunque lo había considerado
no lo hizo

Escrita por: