Fylgija Ear
Grab bleibt ekel jedem Edeling
Wenn faulendes Fleisch sich gärt
Grund klagt grausam kühlend
Fahren die Gaben hin, verfaulen Garben
Freude bricht fort, Verträge brechen
Ear byþ egle eorla gehwylcun
Ðonne fæstlice flæsc onginneþ
Hraw colian, hrusan ceosan
Blac to gebeddan; bleda gedreosaþ
Wynna gewitaþ, wera geswicaþ
Feoh byþ frofur fira gehwylcum
Sceal ðeah manna gehwylc miclun hyt dælan
Gif he wile for drihtne domes hleotan
Ur byþ anmod ond oferhyrned
Felafrecne deor, feohteþ mid hornum
Mære morstapa; þæt is modig wuht
Ðorn byþ ðearle scearp; ðegna gehwylcum
Anfeng ys yfyl, ungemetum reþe
Manna gehwelcum, ðe him mid resteð
Os byþ ordfruma ælere spræce
Wisdomes wraþu ond witena frofur
And eorla gehwam eadnys ond tohiht
Rad byþ on recyde rinca gehwylcum
Sefte ond swiþhwæt, ðamðe sitteþ on ufan
Meare mægenheardum ofer milpaþas
Cen byþ cwicera gehwam, cuþ on fyre
Blac ond beorhtlic, byrneþ oftust
Ðær hi æþelingas inne restaþ
Hægl byþ hwitust corna; hwyrft hit of heofones lyfte
Wealcaþ hit windes scura; weorþeþ hit to wætere syððan
Nyd byþ nearu on breostan; weorþeþ hi þeah oft niþa bearnum
To helpe and to hæle gehwæþre, gif hi his hlystaþ æror
Is byþ ofereald, ungemetum slidor
Glisnaþ glæshluttur gimmum gelicust
Flor forste geworuht, fæger ansyne
Eoh byþ utan unsmeþe treow
Heard hrusan fæst, hyrde fyres
Wyrtrumun underwreþyd, wyn on eþle
Sigel semannum symble biþ on hihte
Ðonne hi hine feriaþ ofer fisces beþ
Oþ hi brimhengest bringeþ to lande
Tir biþ tacna sum, healdeð trywa wel
Wiþ æþelingas; a biþ on færylde
Ofer nihta genipu, næfre swiceþ
Beorc byþ bleda leas, bereþ efne swa ðeah
Tanas butan tudder, biþ on telgum wlitig
Heah on helme hrysted fægere
Geloden leafum, lyfte getenge
Man byþ on myrgþe his magan leof
Sceal þeah anra gehwylc oðrum swican
Forðum drihten wyle dome sine
þÆt earme flæsc eorþan betæcan
Lagu byþ leodum langsum geþuht
Gif hi sculun neþan on nacan tealtum
And hi sæyþa swyþe bregaþ
And se brimhengest bridles ne gymeð
Ear byþ egle eorla gehwylcun
Ðonne fæstlice flæsc onginneþ
Hraw colian, hrusan ceosan
Blac to gebeddan, bleda gedreosaþ
Wynna gewitaþ, wera geswicaþ
Volgeling Oor
Grijp blijft afschuw voor elke edelman
Als rot vlees begint te gisten
De grond klaagt wreed en koel
Gaven vergaan, garven rotten weg
Vreugde breekt af, contracten worden verbroken
Oor is een afschuw voor elke man
Wanneer stevig vlees begint te rotten
Lichaam koelt af, kies de aarde
Zwart om te bedelen; de vruchten verwelken
Vreugde verdwijnt, mannen zwijgen
Rijkdom is een troost voor elke man
Toch moet elke mens het delen
Als hij voor de heerser zijn oordeel wil ontvangen
Ur is moedig en overmoedig
Dappere dieren, vechten met hoorns
Beroemde moordenaars; dat is een dappere schepsel
Doorn is zeer scherp; voor elke dienaar
Begin is slecht, onmetelijk wreed
Voor elke man, die met hem rust
Os is de oorsprong van elke spraak
Wijsheid's woede en de troost van wijzen
En voor elke man, geluk en hoop
Rad is in de schuilplaats van elke krijger
Zacht en krachtig, die bovenop zitten
Paard met sterke harten over mijlpalen
Keen is voor elke levenden, bekend in vuur
Zwart en helder, brandt het vaak
Daar rusten edelen binnen
Hagel is het witste van granen; draai het uit de lucht
Het wordt geworpen door windbuien; het wordt water daarna
Nood is nauw in de borst; toch worden ze vaak voor de kinderen van vijanden
Om te helpen en te genezen, als ze zijn roep eerder horen
IJs is overmatig oud, onmetelijk glad
Glanzend als een schitterende edelsteen
Vloer bedekt met vorst, mooi gezicht
Eik is van buiten een gladde boom
Hard als de aarde, houdt het vuur
Wortels ondergronds, vreugde in het land
Zon is altijd op hoogte voor de mensen
Wanneer ze het over de vissen heffen
Tot de brimhengest hen naar het land brengt
Eer is een teken, houdt trouw goed
Tegen edelen; altijd is het op reis
Over de nachten van duisternis, nooit zwijgend
Berk is zonder vruchten, draagt toch zo
Takken zonder knoppen, is op takken mooi
Hoog op de helm, schitterend
Beladen met bladeren, de lucht bereikt
Man is in vreugde zijn geliefde
Toch moet elkeen de ander bedriegen
Want de heerser wil zijn oordeel
Dat arme vlees aan de aarde toevertrouwen
Water is voor de mensen een lange gedachte
Als ze niet moeten neigen in de boot
En ze zijn zeer bang voor de zee
En de brimhengest let niet op de teugels
Oor is een afschuw voor elke man
Wanneer stevig vlees begint te rotten
Lichaam koelt af, kies de aarde
Zwart om te bedelen, de vruchten verwelken
Vreugde verdwijnt, mannen zwijgen
Escrita por: Christopher Juul / Kai Uwe Faust / Maria Franz