395px

De Slak

Isabel Parra

La guácara

Guácara me dan por nombre,
mi forma es de caracol,
vivo en la humedad tranquila,
huyo de los rayos del sol.

Cuando el invierno comienza
y la tierra se humedece
y germina la semilla
y la rama reverdece
salgo yo.

Yo salgo de mi escondite
y en la arena mojada
tras mi lento caminar
dejo una estela plateada.

El hijo del campesino,
el muchacho barrigón,
cuando el hambre lo atormenta
pone mi cuerpo al fogón.

Me retuerzo del dolor
sobre la brasa inclemente
pidiendo más compasión
para mi cuerpo inocente,
¡qué dolor, ay, qué dolor!

Pero el muchacho travieso
se ríe de mi agonía
y al ver que ya estoy asada
me come con alegría.

Guácara me dan por nombre,
mi forma es de caracol,
mis ojos son dos cachitos
que reflejan mi tristeza.
¡Qué dolor, qué dolor!
¡Qué dolor, ay, qué dolor!

De Slak

Slak noemen ze me,
ik heb de vorm van een slak,
ik leef in de stille vochtigheid,
ik vlucht voor de zonnestralen.

Wanneer de winter begint
en de aarde vochtig wordt
en het zaadje ontkiemt
en de tak weer groener wordt,
kom ik tevoorschijn.

Ik kom uit mijn schuilplaats
en op het natte zand
achter mijn langzame gang
laat ik een zilveren spoor achter.

De zoon van de boer,
de dikke jongen,
wanneer de honger hem kwelt
legt hij mijn lichaam op het vuur.

Ik kronkel van de pijn
op de genadeloze kolen
vragend om meer medelijden
voor mijn onschuldige lichaam,
wat een pijn, oh, wat een pijn!

Maar de ondeugende jongen
lacht om mijn agonies
en als hij ziet dat ik al gebraden ben
vreet hij me met plezier op.

Slak noemen ze me,
ik heb de vorm van een slak,
mijn ogen zijn twee kleine stukjes
die mijn verdriet weerspiegelen.
Wat een pijn, wat een pijn!
Wat een pijn, oh, wat een pijn!

Escrita por: Luis Mariano Rivera