395px

De Oude Mensen

Jacques Brel

Les Vieux

Les vieux ne parlent plus
Ou alors seulement parfois
Du bout des yeux

Même riches ils sont pauvres
Ils n'ont plus d'illusions
Et n'ont qu'un coeur pour deux

Chez eux ça sent le thym
Le propre
La lavande et le verbe d'antan

Que l'on vive à Paris
On vit tous en province
Quand on vit trop longtemps

Est-ce d'avoir trop ri
Que leur voix se lézarde
Quand ils parlent d'hier

Et d'avoir trop pleuré
Que des larmes encore
Leur perlent aux paupières

Et s'ils tremblent un peu
Est-ce de voir vieillir
La pendule d'argent

Qui ronronne au salon
Qui dit oui qui dit non, qui dit
Je vous attends

Les vieux ne rêvent plus
Leurs livres s'ensommeillent
Leurs pianos sont fermés

Le petit chat est mort
Le muscat du dimanche
Ne les fait plus chanter

Les vieux ne bougent plus
Leurs gestes ont trop de rides
Leur monde est trop petit

Du lit à la fenêtre
Puis du lit au fauteuil et puis
Du lit au lit

Et s'ils sortent encore
Bras dessus bras dessous
Tout habillés de raide

C'est pour suivre au Soleil
L'enterrement d'un plus vieux
L'enterrement d'une plus laide

Et le temps d'un sanglot
Oublier toute une heure
La pendule d'argent

Qui ronronne au salon
Qui dit oui qui dit non
Et puis qui les attend

Les vieux ne meurent pas
Ils s'endorment un jour
Et dorment trop longtemps

Ils se tiennent à la main
Ils ont peur de se perdre
Et se perdent pourtant

Et l'autre reste là
Le meilleur ou le pire
Le doux ou le sévère

Cela n'importe pas
Celui des deux qui reste
Se retrouve en enfer

Vous le verrez peut-être
Vous la verrez parfois
En pluie et en chagrin

Traverser le présent
En s'excusant déjà
De n'être pas plus loin

Et fuir devant vous
Une dernière fois
La pendule d'argent

Qui ronronne au salon
Qui dit oui qui dit non
Qui leur dit: Je t'attends

Qui ronronne au salon
Qui dit oui qui dit non
Et puis qui nous attend

De Oude Mensen

De oude mensen praten niet meer
Of soms alleen heel even
Met een blik van opzij

Zelfs rijk zijn ze arm
Ze hebben geen illusies meer
En slechts één hart voor twee

Bij hen ruikt het naar tijm
Naar netheid
Naar lavendel en de woorden van vroeger

Of we nu in Parijs wonen
We leven allemaal in de provincie
Als we te lang blijven

Is het omdat ze te veel hebben gelachen
Dat hun stemmen scheuren
Als ze over gisteren praten

En omdat ze te veel hebben gehuild
Dat de tranen nog steeds
Over hun wimpers parelen

En als ze een beetje trillen
Is het omdat ze zien verouderen
De zilveren klok

Die ronkt in de woonkamer
Die zegt ja, die zegt nee, die zegt
Ik wacht op jullie

De oude mensen dromen niet meer
Hun boeken liggen in slaap
Hun piano's zijn gesloten

De kleine kat is dood
De muskaatwijn van zondag
Laat ze niet meer zingen

De oude mensen bewegen niet meer
Hun gebaren hebben te veel rimpels
Hun wereld is te klein

Van bed naar het raam
Dan van bed naar de stoel en dan
Van bed naar bed

En als ze nog naar buiten gaan
Arm in arm
Helemaal stijf gekleed

Is het om de zon te volgen
De begrafenis van een oudere
De begrafenis van een lelijkere

En in het moment van een snik
Vergeten ze een heel uur
De zilveren klok

Die ronkt in de woonkamer
Die zegt ja, die zegt nee
En dan die hen wacht

De oude mensen sterven niet
Ze vallen op een dag in slaap
En slapen te lang

Ze houden elkaars hand vast
Ze zijn bang om elkaar kwijt te raken
En raken elkaar toch kwijt

En de ander blijft daar
De beste of de slechtste
De zoete of de strenge

Dat doet er niet toe
Degene die blijft
Vindt zichzelf in de hel

Je zult het misschien zien
Je zult haar soms zien
In regen en verdriet

Door het heden gaan
Al excuses makend
Dat ze niet verder zijn

En voor jullie weglopen
Een laatste keer
De zilveren klok

Die ronkt in de woonkamer
Die zegt ja, die zegt nee
Die hen zegt: Ik wacht op je

Die ronkt in de woonkamer
Die zegt ja, die zegt nee
En dan die ons wacht

Escrita por: Gérard Jouannest / Jacques Brel / Jean Corti