Sur La Place
Sur la place chauffée au soleil
Une fille s'est mise à danser
Elle tourne toujours pareille
Aux danseuses d'antiquités
Sur la ville il fait trop chaud
Hommes et femmes sont assoupis
Et regardent par le carreau
Cette fille qui danse à midi
Ainsi certains jours paraît
Une flamme à nos yeux
A l'église où j'allais
On l'appelait le Bon Dieu
L'amoureux l'appelle l'amour
Le mendiant la charité
Le soleil l'appelle le jour
Et le brave homme la bonté
Sur la place vibrante d'air chaud
Où pas même ne paraît un chien
Ondulante comme un roseau
La fille bondit s'en va s'en vient
Ni guitare ni tambourin
Pour accompagner sa danse
Elle frappe dans ses mains
Pour se donner la cadence
Ainsi certains jours paraît
Une flamme à nos yeux
A l'église où j'allais
On l'appelait le Bon Dieu
L'amoureux l'appelle l'amour
Le mendiant la charité
Le soleil l'appelle le jour
Et le brave homme la bonté
Sur la place où tout est tranquille
Une fille s'est mise à chanter
Et son chant plane sur la ville
Hymne d'amour et de bonté
Mais sur la ville il fait trop chaud
Et pour ne point entendre son chant
Les hommes ferment leurs carreaux
Comme une porte entre morts et vivants
Ainsi certains jours paraît
Une flamme en nos c?urs
Mais nous ne voulons jamais
Laisser luire sa lueur
Nous nous bouchons les oreilles
Et nous nous voilons les yeux
Nous n'aimons point les réveils
De notre c?ur déjà vieux
Sur la place un chien hurle encore
Car la fille s'en est allée
Et comme le chien hurlant la mort
Pleurent les hommes leur destinée
Op het plein
Op het plein verwarmd door de zon
Begon een meisje te dansen
Ze draait altijd hetzelfde
Als de danseressen van weleer
In de stad is het te heet
Mannen en vrouwen zijn in slaap
En kijken door het raam
Naar dat meisje dat om twaalf uur danst
Zo verschijnt op sommige dagen
Een vlam in onze ogen
In de kerk waar ik ging
Noemden ze het de Goede Heer
De minnaar noemt het de liefde
De bedelaar de vrijgevigheid
De zon noemt het de dag
En de goede man de goedheid
Op het plein vol warme lucht
Waar zelfs geen hond te zien is
Golvend als een riet
Springt het meisje heen en weer
Geen gitaar of tamboerijn
Om haar dans te begeleiden
Ze klapt in haar handen
Om zichzelf de maat te geven
Zo verschijnt op sommige dagen
Een vlam in onze ogen
In de kerk waar ik ging
Noemden ze het de Goede Heer
De minnaar noemt het de liefde
De bedelaar de vrijgevigheid
De zon noemt het de dag
En de goede man de goedheid
Op het plein waar alles stil is
Begon een meisje te zingen
En haar zang zweeft over de stad
Hymne van liefde en goedheid
Maar in de stad is het te heet
En om haar zang niet te horen
Sluiten de mannen hun ramen
Als een deur tussen doden en levenden
Zo verschijnt op sommige dagen
Een vlam in onze harten
Maar we willen nooit
Zijn gloed laten schijnen
We stoppen onze oren dicht
En bedekken onze ogen
We houden niet van de ontwaking
Van ons hart dat al oud is
Op het plein huilt een hond nog
Want het meisje is weggegaan
En zoals de huilende hond de dood
Huilen de mannen om hun lot