395px

Ballade van de Sneeuw

Joana Amendoeira

Balada da Neve

Batem leve, levemente,
Como quem chama por mim.
Será chuva? será gente?
Gente não é, certamente
E a chuva não bate assim.

É talvez a ventania:
Mas há pouco, há poucochinho,
Nem uma agulha bulia
Na quieta melancolia
Dos pinheiros do caminho...

Quem bate, assim, levemente,
Com tão estranha leveza,
Que mal se ouve, mal se sente?
Não é chuva, nem é gente,
Nem é vento com certeza.

Fui ver. a neve caía
Do azul cinzento do céu,
Branca e leve, branca e fria...
. há quanto tempo a não via!
E que saudades, deus meu!

Olho-a através da vidraça.
Pôs tudo da cor do linho.
Passa gente e, quando passa,
Os passos imprime e traça
Na brancura do caminho...

Fico olhando esses sinais
Da pobre gente que avança,
E noto, por entre os mais,
Os traços miniaturais
Duns pezitos de criança...

E descalcinhos, doridos...
A neve deixa inda vê-los,
Primeiro, bem definidos,
Depois, em sulcos compridos,
Porque não podia erguê-los!...

Que quem já é pecador
Sofra tormentos, enfim!
Mas as crianças, senhor,
Porque lhes dais tanta dor?!...
Porque padecem assim?!...

E uma infinita tristeza,
Uma funda turbação
Entra em mim, fica em mim presa.
Cai neve na natureza
. e cai no meu coração.

Ballade van de Sneeuw

Batsen zacht, heel zachtjes,
Als iemand die mij roept.
Is het regen? Is het mensen?
Mensen zijn het zeker niet
En de regen valt niet zo.

Misschien is het de wind:
Maar kort geleden, heel even,
Beweegden zelfs geen naald
In de stille melancholie
Van de dennen langs de weg...

Wie klopt er zo, heel zachtjes,
Met zo'n vreemde lichtheid,
Dat je het nauwelijks hoort, nauwelijks voelt?
Het is geen regen, geen mensen,
En het is zeker geen wind.

Ik ging kijken. De sneeuw viel
Uit de grijze blauwe lucht,
Wit en licht, wit en koud...
Hoe lang had ik het niet gezien!
Wat een gemis, mijn God!

Ik kijk erdoorheen het raam.
Het maakt alles linnenkleurig.
Mensen passeren en, als ze passeren,
Drukken en tekenen ze
In de witheid van de weg...

Ik blijf kijken naar deze sporen
Van de arme mensen die verdergaan,
En ik merk, tussen de meesten,
De miniatuursporen
Van kleine kindervoetjes...

En blootsvoets, pijnlijk...
De sneeuw laat ze nog zien,
Eerst goed gedefinieerd,
Daarna in lange groeven,
Omdat ze ze niet kon optillen!...

Want wie al een zondaar is
Moet uiteindelijk lijden!
Maar de kinderen, Heer,
Waarom geven jullie hen zoveel pijn?!...
Waarom lijden ze zo?!...

En een eindeloze droefheid,
Een diepe onrust
Komt in mij, blijft in mij gevangen.
Sneeuw valt in de natuur
En valt in mijn hart.

Escrita por: Augusto Gil