395px

Fado Falado

João Villaret

Fado Falado

Fado Triste
Fado negro das vielas
Onde a noite quando passa
Leva mais tempo a passar
Ouve-se a voz
Voz inspirada de uma raça
Que mundo em fora nos levou
Pelo azul do mar
Se o fado se canta e chora
Também se pode falar

Mãos doloridas na guitarra
que desgarra dor bizarra
Mãos insofridas, mãos plangentes
Mãos frementes e impacientes
Mãos desoladas e sombrias
Desgraçadas, doentias
Quando há traição, ciume e morte
E um coração a bater forte

Uma história bem singela
Bairro antigo, uma viela
Um marinheiro gingão
E a Emília cigarreira
Que ainda tinha mais virtude
Que a própria Rosa Maria
Em dia de procissão
Da Senhora da Saúde

Os beijos que ele lhe dava
Trazia-os ele de longe
Trazia-os ele do mar
Eram bravios e salgados
E ao regressar à tardinha
O mulherio tagarela
De todo o bairro de Alfama
Cochichava em segredinho
Que os sapatos dele e dela
Dormiam muito juntinhos
Debaixo da mesma cama

Pela janela da Emília
Entrava a lua
E a guitarra
À esquina de uma rua gemia,
Dolente a soluçar.
E lá em casa:

Mãos amorosas na guitarra
Que desgarra dor bizarra
Mãos frementes de desejo
Impacientes como um beijo
Mãos de fado, de pecado
A guitarra a afagar
Como um corpo de mulher
Para o despir e para o beijar

Mas um dia,
Mas um dia santo Deus, ele não veio
Ela espera olhando a lua, meu Deus
Que sofrer aquele
O luar bate nas casas
O luar bate na rua
Mas não marca a sombra dele
Procurou como doida
E ao voltar da esquina
Viu ele acompanhado
Com outra ao lado, de braço dado
Gingão, feliz, levião
Um ar fadista e bizarro
Um cravo atrás da orelha
E preso à boca vermelha
O que resta de um cigarro
Lume e cinza na viela,
Ela vê, que homem aquele
O lume no peito dela
A cinza no olhar dele

E o ciume chegou como lume
Queimou, o seu peito a sangrar
Foi como vento que veio
Labareda atear, a fogueira aumentar
Foi a visão infernal
A imagem do mal que no bairro surgiu
Foi o amor que jurou
Que jurou e mentiu
Correm vertigens num grito
Direito ou maldito que há-de perder
Puxa a navalha, canalha
Não há quem te valha
Tu tens de morrer
Há alarido na viela
Que mulher aquela
Que paixão a sua
E cai um corpo sangrando
Nas pedras da rua

Mãos carinhosas, generosas
Que não conhecem o rancor
Mãos que o fado compreendem
e entendem sua dor
Mãos que não mentem
Quando sentem
Outras mãos para acarinhar
Mãos que brigam, que castigam
Mas que sabem perdoar

E pouco a pouco o amor regressou
Como lume queimou
Essas bocas febris
Foi um amor que voltou
E a desgraça trocou
Para ser mais feliz
Foi uma luz renascida
Um sonho, uma vida
De novo a surgir
Foi um amor que voltou
Que voltou a sorrir

Há gargalhadas no ar
E o sol a vibrar
Tem gritos de cor
Há alegria na viela
E em cada janela
Renasce uma flor
Veio o perdão e depois
Felizes os dois
Lá vão lado a lado
E digam lá se pode ou não
Falar-se o fado.

Fado Falado

Treurige fado
Zwarte fado uit de steegjes
Waar de nacht als ze voorbijgaat
Meer tijd lijkt te vragen
Je hoort de stem
Inspirerende stem van een ras
Dat de wereld ons uitleide
Achter het blauw van de zee
Als de fado gezongen en gehuild wordt
Kan er ook gepraat worden

Pijnlijke handen op de gitaar
Die vreemde pijn ontketent
Onrustige, klagende handen
Trillende en ongeduldige handen
Verloren en sombere handen
Ellendige, zieke handen
Als er verraad, jaloezie en de dood is
En een hart dat hard klopt

Een heel eenvoudig verhaal
Oude buurt, een steeg
Een swingende marinier
En de sigarettenrokende Emilia
Die meer deugd had
Dan de eigenlijke Rosa Maria
Op een dag van de processie
Van de Heilige Gezondheid

De kussen die hij haar gaf
Breng hij van ver weg
Nam hij mee uit de zee
Ze waren wild en zout
En bij het terugkomen in de avond
Flonkerde het vrouwvolk
Uit de hele buurt van Alfama
Die fluisterde in het geheim
Dat hun schoenen
Samen sliepen
Onder hetzelfde bed

Via het raam van Emilia
Binnenkwam de maan
En de gitaar
Klaagde om de hoek van de straat,
Weemoedig en snikkend.
En daar thuis:

Tedere handen op de gitaar
Die vreemde pijn ontketent
Hongerige handen van verlangen
Ongeduldig als een kus
Handen van fado, van zonde
De gitaar streelt
Als een vrouwelijk lichaam
Om het uit te kleden en te kussen

Maar op een dag,
Maar op een heilige dag, kwam hij niet
Zij wachtte terwijl ze naar de maan keek, mijn God
Wat een lijden
Het maanlicht slaat op de huizen
Het maanlicht slaat op straat
Maar het markeert zijn schaduw niet
Ze zocht als een dolle
En toen ze om de hoek terugkwam
Zag ze hem met iemand anders
Aan zijn arm
Swingend, gelukkig, vrij
Met een fado-look en een vreemde blik
Een kruidnagel achter zijn oor
En vastgeklemd aan zijn rode lip
Wat resteert van een sigaret
Vuur en as in de steeg,
Zij ziet, wat een man
Het vuur in haar borst
De as in zijn blik

En de jaloezie kwam als vuur
Brandde, zijn borst bloedend
Het was als de wind die kwam
Vlammen aansteken, het vuur laten groeien
Het was de infernale visie
De verschrikkelijke afbeelding die in de buurt verscheen
Het was de liefde die zwoer
Die zwoer en loog
Er stromen duizelingen door een schreeuw
Recht of vervloekt dat zal verliezen
Trek het mes, schoft
Er is niemand die je helpt
Je moet sterven
Er klinkt lawaai in de steeg
Wat een vrouw is dat
Wat een passie toont die
En een lichaam valt bloederig
Op de stenen van de straat

Zorgzame, genereuze handen
Die geen wrok kennen
Handen die de fado begrijpen
En de pijn ervan verstaan
Handen die niet liegen
Als ze voelen
Andere handen om te strelen
Handen die straffen, die straffen
Maar die weten te vergeven

En beetje bij beetje kwam de liefde terug
Als vuur brandde
Die koortsige monden
Het was een liefde die terugkwam
En het ongeluk omruilde
Om gelukkiger te zijn
Het was een herboren licht
Een droom, een leven
Weer aan het opkomen
Het was een liefde die kwam
Die weer begon te glimlachen

Er zijn lachjes in de lucht
En de zon die pulseert
Er zijn schreeuwen van kleur
Er is vreugde in de steeg
En uit elk raam
Hernijst een bloem
Vergeving kwam en daarna
Gelukkig zijn ze samen
Daar gaan ze zij aan zij
En zeg maar of het mogelijk is of niet
Om over de fado te praten.

Escrita por: Aníbal Nazaré / Nelson De Barros