Il Était Une Fois À La Cour D'Eisenach (La Légende De Kleinzach)
Il était une fois à la cour d'Eisenach
Un petit avorton qui se nommait Kleinzach!
Il était coiffé d'un colbac
Et ses jambes, et ses jambes faisaient clic clac
Clic clac, clic clac, voilà, voilà Kleinzach!
Il avait une bosse en guise d'estomac
Ses pieds ramifiés semblaient sortir d'un sac
Son nez était noir de tabac
Et sa tête, et sa tête faisait cric crac
Cric crac, cric crac, voilà, voilà Kleinzach!
Quant aux traits, aux traits de sa figure
Ah! Sa figure était charmante!
Je la vois, belle, belle comme le jour où courant après elle
Je quittai comme un fou la maison paternelle
Et m'enfuis à travers les vallons et les bois!
Ses cheveux, ses cheveux en torsades sombres
Sur son vol élégant jetaient leurs chaudes ombres
Ses yeux, ses yeux enveloppés d'azur
Promenaient autour d'elle un regard frais et pur
Et, comme notre char emportait sans secousse
Nos cœurs et nos amours, sa voix vibrante et douce
Aux cieux qui l'écoutaient, jetait ce chant vainqueur
Dont l'éternel écho résonne dans mon cœur!
Oh, bizarre cervelle! Qui diable vois-tu là?
Kleinzach? Je parle d'elle
Non! Personne! Rien!
Mon esprit se trouble... Rien!
Et Kleinzach vaut mieux, tout difforme qu'il est!
Quand il avait trop bu de genièvre ou de rack
Il fallait voir flotter les deux pans de son frac
Comme des herbes dans un lac
Et le monstre, le monstre faisait flic flac
Flic flac, flic flac, voilà, voilà Kleinzach!
Er Was Eens Aan Het Hof Van Eisenach (De Legende Van Kleinzach)
Er was eens aan het hof van Eisenach
Een klein mannetje dat Kleinzach heette!
Hij droeg een hoge hoed
En zijn benen, en zijn benen maakten klik klak
Klik klak, klik klak, daar is Kleinzach!
Hij had een bult als buik
Zijn voeten leken wel uit een zak te komen
Zijn neus was zwart van de tabak
En zijn hoofd, en zijn hoofd maakte krak krak
Krak krak, krak krak, daar is Kleinzach!
Wat betreft de trekken, de trekken van zijn gezicht
Ah! Zijn gezicht was charmant!
Ik zie het voor me, mooi, mooi als de dag waarop ik achter haar aan rende
En als een gek het ouderlijk huis verliet
En vluchtte door de dalen en bossen!
Haar haar, haar haar in donkere vlechten
Wierp zijn warme schaduw over haar elegante vlucht
Haar ogen, haar ogen omhuld met blauw
Gaven haar een frisse en pure blik
En, terwijl onze wagen zonder schokken voortging
Draagden onze harten en liefdes, haar vibrerende en zachte stem
Naar de hemel die luisterde, zong dit overwinnende lied
Wiens eeuwige echo weerklinkt in mijn hart!
Oh, vreemde geest! Wie zie je daar?
Kleinzach? Ik heb het over haar
Nee! Niemand! Niets!
Mijn geest raakt in de war... Niets!
En Kleinzach is beter, hoe misvormd hij ook is!
Wanneer hij te veel jenever of rak drinkt
Moet je zien hoe de twee flappen van zijn jas wapperen
Als gras in een meer
En het monster, het monster maakte plons plons
Plons plons, plons plons, daar is Kleinzach!