Het Hondje Van De Rijken
In een salon bij 't warme haardvuur
Ligt Fifi in zijn zijden mand
Hij laat zich lekk're hapjes voeren
En strelen door een dameshand
En om de hoek in 't nauwe steegje
Zit in een krot een weduwvrouw
Bij d'harde strozak van haar kind'ren
Schreiend ontwakend van de kou
Het hondje van de rijken
Dat leeft in overvloed
Terwijl het kind der armen
Zoveel ontberen moet
Het hondje van de rijken
Krijgt alles even fijn
En menig kind der armen
Zou graag zo'n hondje zijn
Als Fifi 't vlees niet mals genoeg vindt
Haalt hij de neus op en bromt kwaad
Dan komt de dienstmeid die het eten
Achter een boom werpt op de straat
En is de dienstmeid weer naar binnen
Komt 'n kindje, haveloos gekleed
Dat smult ervan en Fifi ziet het
En gromt voor 't raam foei, wat 'n proleet
Als Fifi dood is, liggen bloemen
En mooie rozen op zijn mand
Hij krijgt een eigen graf met 'n grafsteen
Daar heeft hij recht op door zijn stand
Als 't kind der armen wordt begraven
Daalt 't ruwe kistj' in 't grote graf
En snikkend zegt de moeder: 'Liev'ling
Een bloempje? Heus, 't kon er niet van af!'
El perrito de los ricos
En un salón junto al cálido fuego
Yace Fifi en su cesta de seda
Se deja alimentar con deliciosos bocados
Y acariciar por una mano de dama
Y en la esquina de la estrecha callejuela
En un tugurio una viuda está
Junto al duro saco de paja de sus hijos
Llorando despierta por el frío
El perrito de los ricos
Que vive en la abundancia
Mientras el niño de los pobres
Debe soportar tanto
El perrito de los ricos
Recibe todo tan fino
Y muchos niños de los pobres
Quisieran ser un perrito así
Si Fifi no encuentra la carne lo suficientemente tierna
Arruga la nariz y gruñe enojado
Entonces la criada que la comida
Tira detrás de un árbol en la calle
Y cuando la criada vuelve a entrar
Viene un niño, harapiento vestido
Que se deleita con ello y Fifi lo ve
Y gruñe en la ventana ¡qué vil prole!
Cuando Fifi muere, hay flores
Y hermosas rosas en su cesta
Recibe una tumba propia con una lápida
Eso le corresponde por su estatus
Cuando el niño de los pobres es enterrado
El rudo ataúd desciende a la gran fosa
Y sollozando dice la madre: 'Cariño
¿Una florecita? De verdad, ¡no pudo ser!'