Kaikou
かがみにうつした死人の涙はさまよう花びら
kagami ni utsushita shibito no namida wa samayō hanabira
みなもの月にとかしてしずむ
minamo no tsuki ni tokashite shizumu
まだ冷たいくちびる手にさす指先
mada tsumetai kuchibiru-te ni sasu yubisaki
あなたにみせてみてもにほうえいえんにきえる
anata ni misete mite mo ni hō eien ni kieru
まよえるこころは つきよのためいき
mayoeru kokoro wa tsukiyo no tameiki
いのちをささげる とこゆえひむらいのひをてらす
inochi o sasageru toko-yue himu rai no hi o terasu
きりさくねむりは ちをふくらくえん
kirisaku nemuri wa chi o fuku rakuen
あなたにあえるのなら こどうをとめてきえる
anata ni aeru nonara kodō o tomete kieru
あしたはふたたびであえるふたりと
ashita wa futatabi deaeru futari to
しんじてしんじて
shinjite shinjite
いざなううつつのゆめにいきる
izanau utsutsu no yume ni ikiru
いまこなゆきまいちるまっしろなせかいで
ima konayuki mai chiru masshirona sekai de
あなたのおもかげさえおもえるよるにきえる
anata no omokage sae omoeru yoru ni kieru
Kaikou
De tranen van de doden in de spiegel zijn zwervende bloemblaadjes
Vergaan in het licht van de maan
Koude lippen, vingers die aanraken
Zelfs als ik het je laat zien, vervaagt het in de eeuwigheid
Een verdwaald hart, een zucht in de nacht
Leven opofferen, de vlam van de vergetelheid verlichten
De slaperige dromen snijden, het bloed stroomt
Als ik jou kan ontmoeten, stop ik de hartslag en verdwijn
Morgen zullen we elkaar weer ontmoeten, samen
Geloof, geloof
In de droom die ons roept, leven we
In deze wereld waar de sneeuw nu valt, zo wit
Zelfs jouw schaduw vervaagt in de nacht.