Cançó de rem i de vela (nº XII)
Entre les barques quan passa l'amor,
no duu la fúria de crits ni besades,
l'amor que passa a la vora del mar,
és blau verdós i flexible com l'aigua.
Perquè a la platja hi arribi l'amor,
hem de tenir una miqueta de calma,
i una gavina pel cel adormit,
una gavina i un aigua ben blava.
L'amor que passa a la vora del mar,
vol que tot just es bellugui la barca,
vol a la vela una mica de vent,
però té por de sentir les onades.
Vol una galta que es deixi besar,
però que hi posi una certa recança;
l'amor que es viu a la vora del mar
és un amor de molt poques paraules.
Entre les barques quan passa l'amor,
no vol ni plors ni gemecs ni rialles,
l'amor que passa a la vora del mar
és un sospir que batega com l'aigua.
Lied van de riem en de zeil (nº XII)
Tussen de boten als de liefde passeert,
brengt het geen woede van schreeuwen of kussen,
de liefde die langs de zee glijdt,
is blauwgroen en soepel als het water.
Want om de liefde op het strand te laten komen,
moeten we een beetje rust hebben,
en een meeuw voor de slapende lucht,
een meeuw en een water zo blauw.
De liefde die langs de zee passeert,
wil dat de boot maar een beetje beweegt,
wilt een beetje wind in de zeilen,
maar is bang om de golven te voelen.
Wil een wang die gekust mag worden,
maar met een zekere terughoudendheid;
de liefde die aan de zee wordt geleefd
is een liefde van heel weinig woorden.
Tussen de boten als de liefde passeert,
wil het geen tranen, geen gekreun of gelach,
de liefde die langs de zee glijdt
is een zucht die klopt als het water.