395px

Jezus Kind

Lucio Dalla

Gesù Bambino

Dice che era un bell'uomo e veniva,
Veniva dal mare...
Parlava un'altra lingua peró,
Sapeva amare.
E quel giorno lui prese a mia madre,
Sopra un bel prato... ah,
L'ora più dolce,
Prima di essere ammazzato.

Cosi lei resto sola nella stanza,
La stanza sul porto...
Con l'unico vestito,
Ogni giorno più corto.
E benchè non sapesse il nome,
E neppure il paese...
Mi riconobbe subito, (mi aspetto' come un dono d'amore)
Proprio all'ultimo mese. (fin dal primo mese)

Compiva sedici anni,
Quel giorno la mia mamma...
Le stofe di taverna
Le canto a ninna nanna.
E stringendomi al petto che sapeva, sapeva,
Sapeva di mare...
Giocava la Madonna, (giocava a far la donna)
Col bambino da fasciare.

E forse fu per gioco,
O forse per amore...
Che mi volle chiamare,
Come nostro Signore.

Della sua breve vita, il ricordo,
Il ricordo più grosso...
È tutto in questo nome
Che io mi porto addosso.

E ancora adesso mentre bestemmio e bevo vino... (e ancora adesso che gioco a carte e bevo vino)
Per la i ladri e le puttane sono, (per la gente del porto mi chiamo)
Gesù bambino.

E ancora adesso mentre bestemmio e bevo vino... (e ancora adesso che gioco a carte e bevo vino)
Per la i ladri e le puttane sono, (per la gente del porto mi chiamo)
Gesù bambino.

Jezus Kind

Hij zei dat hij een knappe man was en kwam,
Hij kwam uit de zee...
Hij sprak een andere taal, maar,
Hij wist te beminnen.
En die dag nam hij mijn moeder,
Op een mooi grasveld... ah,
Het zoetste uur,
Voor hij werd vermoord.

Zo bleef zij alleen in de kamer,
De kamer aan de haven...
Met het enige jurkje,
Elke dag korter.
En hoewel ze de naam niet wist,
En ook het land niet...
Herkenning kwam meteen, (ze wachtte op me als een liefdesgave)
Juist in de laatste maand. (vanaf de eerste maand)

Ze werd zestien jaar,
Die dag mijn moeder...
De stoffen van de herberg
Zong ze als een wiegelied.
En me vasthoudend aan haar borst die wist, wist,
Wist van de zee...
De Maagd speelde, (speelde de vrouw)
Met het kind dat gewiegd moest worden.

En misschien was het voor de lol,
Of misschien uit liefde...
Dat ze me wilde noemen,
Zoals onze Heer.

Van haar korte leven, de herinnering,
De grootste herinnering...
Is alles in deze naam
Die ik met me meedraag.

En nog steeds terwijl ik vloek en wijn drink... (en nog steeds terwijl ik kaarten speel en wijn drink)
Voor de dieven en de hoeren ben ik, (voor de mensen van de haven noem ik mezelf)
Jezus kind.

En nog steeds terwijl ik vloek en wijn drink... (en nog steeds terwijl ik kaarten speel en wijn drink)
Voor de dieven en de hoeren ben ik, (voor de mensen van de haven noem ik mezelf)
Jezus kind.

Escrita por: Lucio Dalla, Paola Pompei