Emilia
Le alpi, si sa, sono un muro di sasso,
Una diga confusa, fanno tabula rasa
Per noi che qui sotto, lontano, più in basso, abbiamo la casa,
La casa ed i piedi in questa spianata
Di sole che strozza la gola alle rane,
Di nebbia compatta, scabrosa, stirata, che sembra di pane,
Ed una strada antica come l'uomo
Marcata ai bordi dalle chiacchiere di un duomo
E fiumi, falsi avventurieri
Che trasformano i padani in marinai non veri.
Emilia sdraiata fra i campi e sui prati,
Lagune e piroghe delle terramare,
Guerrieri del nord dai capelli gessati
Ne hai visti passare
Emilia allungata tra l'olmo e il vigneto
Voltata a cercare quel mare mancante
E il monte appennino raccontando un segreto diventa un gigante
Lungo la strada, tra una piazza e un duomo
Hai messo al mondo questa specie d'uomo
Vero, aperto, finto e strano
Chiuso, anarchico, verdiano,
Brutta razza l'emiliano
Emilia sognante fra l'oggi e il domani,
Di cibo e motori, di lusso e balere
Emilia di facce, di grida, di mani sarà un grande piacere
Vedere, in futuro, da un mondo lontano
Quaggiù, sulla terra, una macchia di verde,
E sentire il mio cuore che battendo più piano là dentro si perde…
Ora ti saluto, è quasi sera, si fa tardi,
Si va a vivere o a dormire da las vegas a piacenza,
Fari per chilometri ti accecano testardi
Ma io sento che hai pazienza, devi ancora sopportarci…
Emilia
De bergen, dat weet je, zijn een muur van steen,
Een verwarrende dam, ze maken alles weer schoon.
Voor ons hier beneden, ver weg, lager, hebben we een thuis,
Het huis en de voeten op dit vlakke terrein,
Van zon die de kelen van kikkers verstikt,
Van dichte mist, ruw, uitgerekt, die lijkt op brood,
En een oude weg, zo oud als de mens,
Gemarkeerd aan de randen door het geklets van een kathedraal,
En rivieren, valse avonturiers,
Die de mensen uit de polders in nepzeelieden veranderen.
Emilia, liggend tussen de velden en op de weiden,
Lagunes en kano's van de terramare,
Krijgers uit het noorden met krijtachtige haren,
Heb je zien voorbijgaan.
Emilia, uitgestrekt tussen de iep en de wijngaard,
Om zich om te draaien en de ontbrekende zee te zoeken,
En de Apennijnen, die een geheim vertellen, worden een reus.
Langs de weg, tussen een plein en een kathedraal,
Heb je deze soort mens op de wereld gezet.
Echt, open, nep en vreemd,
Gesloten, anarchistisch, verdiaans,
Lelijke soort, de Emiliaan.
Emilia, dromend tussen vandaag en morgen,
Van eten en motoren, van luxe en danszalen,
Emilia van gezichten, van geschreeuw, van handen, het zal een groot genoegen zijn
Om in de toekomst, vanuit een verre wereld,
Hier beneden, op aarde, een vlek van groen te zien,
En mijn hart te voelen dat daarbinnen langzamer klopt en zich verliest...
Nu neem ik afscheid, het is bijna avond, het wordt laat,
We gaan leven of slapen van Las Vegas naar Piacenza,
Koplampen verblinden je hardnekkig kilometers ver,
Maar ik voel dat je geduld hebt, je moet ons nog steeds verdragen...