Andapago
Pra quem olhasse de longe
Silhueta poncho e horizonte,
Um semblante de setembro
Falquejado sobre a fronte,
E um malacara gateado
Da mesma doma de tantos,
Que as estâncias da fronteira
Andam juntando dos campos.
Por certo conheceria
Dom Macedo, o índio vago,
Desses que a lida e a estrada
Batizaram de andapago,
Que transita sobre os lombos
Na dimensão das distâncias,
Desencilhando suas domas
Pelos galpões das estâncias.
Asas de poncho e sombreiro
Pra os desmandos da garoa
Olhos de longe pro campo
Até as margens da lagoa
Nas mãos as rédeas de oito
Nos pés as botas surradas
Estribos, esporas gastas
De tantos potros e estradas.
Pampa de verde estendido
Nublado pra um tempo feio,
Gateado pateando o várzea
Na inquietude do freio,
Num vulto vindo de longe
Com légua e tanto de ausência,
Desde o sombreiro até os cascos
Taura, encilha e querência.
Horizonte que em outros tempos
Vestiram as sombras da tarde,
Hoje retrata entre garças
E quero-queros de alarde,
O malacara gateado
Numa silhueta de pampa,
Dom Macedo, pra quem olha
Um andapago na estampa.
Asas de poncho e sombreiro
Pra os desmandos da garoa
Olhos de longe pro campo
Até as margens da lagoa
Nas mãos as rédeas de oito,
Nos pés as botas surradas,
Estribos, esporas gastas
De tantos potros e estradas.
Dom Macedo pra quem olha
Um andapago na estampa.
Andapago
Voor wie van ver kijkt
Silhouet poncho en horizon,
Een gelaatsuitdrukking van september
Gegraveerd op het voorhoofd,
En een schim met een lelijk gezicht
Van dezelfde soort als velen,
Die de boerderijen aan de grens
Verzamelen van de velden.
Zeker zou hij herkennen
Dom Macedo, de zwervende indiaan,
Van diegenen die door het werk en de weg
Andapago zijn genoemd,
Die over de ruggen loopt
In de dimensie van afstanden,
Zijn zadels afdoende
In de schuren van de boerderijen.
Vleugels van poncho en hoed
Voor de grillen van de regen,
Ogen van ver naar het veld
Tot aan de oevers van de vijver,
In de handen de teugels van acht,
Aan de voeten de versleten laarzen,
Beugels, versleten sporen
Van zoveel veulens en wegen.
Pampa van uitgestrekt groen
Bewolkt voor een lelijk weer,
Schim die de vlakte trapt
In de onrust van het bit,
In een schim die van ver komt
Met een mijl en meer van afwezigheid,
Van de hoed tot de hoeven
Taura, zadel en verlangen.
Horizont die in andere tijden
De schaduwen van de namiddag droeg,
Vandaag afgebeeld tussen reigers
En schreeuwende wantsen,
De schim met een lelijk gezicht
In een silhouet van pampa,
Dom Macedo, voor wie kijkt
Een andapago in de afdruk.
Vleugels van poncho en hoed
Voor de grillen van de regen,
Ogen van ver naar het veld
Tot aan de oevers van de vijver,
In de handen de teugels van acht,
Aan de voeten de versleten laarzen,
Beugels, versleten sporen
Van zoveel veulens en wegen.
Dom Macedo voor wie kijkt
Een andapago in de afdruk.