395px

Lied van de Wind die Voorbijgaat

Manuel Alegre

Trova do Vento Que Passa

Pergunto ao vento que passa
Notícias do meu país
E o vento cala a desgraça
O vento nada me diz.
O vento nada me diz.

La-ra-lai-lai-lai-la, la-ra-lai-lai-lai-la, [refrão]
La-ra-lai-lai-lai-la, la-ra-lai-lai-lai-la. [bis]

Pergunto aos rios que levam
Tanto sonho à flor das águas
E os rios não me sossegam
Levam sonhos deixam mágoas.

Levam sonhos deixam mágoas
Ai rios do meu país
Minha pátria à flor das águas
Para onde vais? ninguém diz.

[se o verde trevo desfolhas
Pede notícias e diz
Ao trevo de quatro folhas
Que morro por meu país.

Pergunto à gente que passa
Por que vai de olhos no chão.
Silêncio -- é tudo o que tem
Quem vive na servidão.

Vi florir os verdes ramos
Direitos e ao céu voltados.
E a quem gosta de ter amos
Vi sempre os ombros curvados.

E o vento não me diz nada
Ninguém diz nada de novo.
Vi minha pátria pregada
Nos braços em cruz do povo.

Vi minha pátria na margem
Dos rios que vão pró mar
Como quem ama a viagem
Mas tem sempre de ficar.

Vi navios a partir
(minha pátria à flor das águas)
Vi minha pátria florir
(verdes folhas verdes mágoas).

Há quem te queira ignorada
E fale pátria em teu nome.
Eu vi-te crucificada
Nos braços negros da fome.

E o vento não me diz nada
Só o silêncio persiste.
Vi minha pátria parada
À beira de um rio triste.

Ninguém diz nada de novo
Se notícias vou pedindo
Nas mãos vazias do povo
Vi minha pátria florindo.

E a noite cresce por dentro
Dos homens do meu país.
Peço notícias ao vento
E o vento nada me diz.

Quatro folhas tem o trevo
Liberdade quatro sílabas.
Não sabem ler é verdade
Aqueles pra quem eu escrevo.]

Mas há sempre uma candeia
Dentro da própria desgraça
Há sempre alguém que semeia
Canções no vento que passa.

Mesmo na noite mais triste
Em tempo de servidão
Há sempre alguém que resiste
Há sempre alguém que diz não.

Lied van de Wind die Voorbijgaat

Ik vraag de voorbijgaande wind
Naar nieuws uit mijn land
En de wind zwijgt de ellende
De wind zegt niets tegen mij.
De wind zegt niets tegen mij.

La-ra-lai-lai-lai-la, la-ra-lai-lai-lai-la, [refrein]
La-ra-lai-lai-lai-la, la-ra-lai-lai-lai-la. [herhaling]

Ik vraag de rivieren die voeren
Zoveel dromen naar de wateroppervlakte
En de rivieren geven me geen rust
Ze nemen dromen, laten verdriet achter.

Ze nemen dromen, laten verdriet achter
Oh rivieren van mijn land
Mijn vaderland aan de wateroppervlakte
Waar ga je heen? niemand zegt het.

[Als het groene klavertje verwelkt
Vraag om nieuws en zeg
Tegen het klavertje vier
Dat ik sterf voor mijn land.

Ik vraag de mensen die voorbijgaan
Waarom ze met hun ogen op de grond lopen.
Zwijgen -- dat is alles wat ze hebben
Wie in slavernij leeft.

Ik zag de groene takken bloeien
Rechten en naar de hemel gericht.
En wie graag meesters heeft
Zag ik altijd met gebogen schouders.

En de wind zegt niets tegen mij
Niemand zegt iets nieuws.
Ik zag mijn vaderland gekruisigd
In de armen van het volk.

Ik zag mijn vaderland aan de oever
Van de rivieren die naar de zee gaan
Als iemand die van de reis houdt
Maar altijd moet blijven.

Ik zag schepen vertrekken
(mijn vaderland aan de wateroppervlakte)
Ik zag mijn vaderland bloeien
Groene bladeren, groene verdriet.

Er zijn mensen die je willen negeren
En in jouw naam over het vaderland spreken.
Ik zag je gekruisigd
In de zwarte armen van de honger.

En de wind zegt niets tegen mij
Alleen de stilte blijft bestaan.
Ik zag mijn vaderland stil staan
Aan de rand van een treurig riviertje.

Niemand zegt iets nieuws
Als ik om nieuws vraag
In de lege handen van het volk
Zag ik mijn vaderland bloeien.

En de nacht groeit van binnenuit
Bij de mannen van mijn land.
Ik vraag de wind om nieuws
En de wind zegt niets tegen mij.

Vier bladeren heeft het klavertje
Vrijheid, vier lettergrepen.
Ze kunnen niet lezen, dat is waar
Diegenen voor wie ik schrijf.]

Maar er is altijd een kaars
Binnen de eigen ellende
Er is altijd iemand die zaait
Liederen in de voorbijgaande wind.

Zelfs in de treurigste nacht
In tijden van slavernij
Is er altijd iemand die weerstand biedt
Is er altijd iemand die nee zegt.

Escrita por: Manuel Alegre