Dov'è L'indiana Bruna (Aria Dei Campanelli)
Dov'è l'indiana bruna,
Che I paria generâr,
Quando la bianca luna
Tra le mimose appar?
Verso I muschi s'affretta
La misera e scordò
Che dovunque è rejetta
Chi un paria generò!
Tra le siepi di rose
Con vaghissime pose
Tu la vedi passar
E alla notte inneggiar!
Nel fitto là — di fosca selva,
Smarrito vaga — un viator...
Nell'ombra brilla l'occhio della belva,
E del cammino ei move ignaro ancor!
Ruggisce di gioja la fiera
E farne sua preda già spera...
Ma la fanciulla accor
E sfida il suo furor.
In mano ha la bacchetta,
Da cui tintinna e fischia
La magica squilletta
Dell'indo incantatori
Lo stranier la contempla — essa resta rapita,
De' suoi mille rajà più bello egli è!
Arrossirà, s'ei sa che dee la vita
Ad una vii, che un paria generò!
Ma sul suo ciglio — ei stende un velo
E l'assopita — innalza al cielo,
Dicendo a lei: — « starai con me!... »
Wismì, di brahma— -il figlio egli è!
E da quel giorno — il vïator,
In mezzo ai boschi — ode talor
Breve il rumor — della bacchetta
E il tintinnar che fa
La squilla dell'indiano incantatori
Waar is de Bruine Indiaan (Lied van de Klokken)
Waar is de bruine indiaan,
Die de paria's voortbracht,
Wanneer de witte maan
Tussen de mimosa's wacht?
Naar de mosjes haast zich
De arme, die vergat,
Dat overal verworpen
Wordt wie een paria had!
Tussen de rozenhagen
Met de mooiste poses
Zie je haar voorbijgaan
En de nacht bezingen!
In het dichte daar — van donkere bossen,
Verdwaald dwaalt — een reiziger...
In de schaduw schittert het oog van het beest,
En op de weg gaat hij nog onwetend verder!
De fierheid brult van vreugde
En hoopt haar prooi al te vangen...
Maar het meisje komt snel
En daagt zijn woede uit.
In haar hand heeft ze de staf,
Waarvan het tinkelen en fluiten
De magische belletjes
Van de betoverde indiaan zijn.
De vreemdeling kijkt naar haar — zij blijft betoverd,
Van zijn duizend rajah's is hij de mooiste!
Zij zal blozen, als hij weet dat het leven
Aan een vijand toebehoort, die een paria voortbracht!
Maar op zijn ooglid — legt hij een sluier
En de slapende — verheft hij naar de hemel,
Zeggend tegen haar: — "je blijft bij mij!..."
Wismì, van Brahma — hij is de zoon!
En vanaf die dag — de reiziger,
Midden in de bossen — hoort soms
Korte het geluid — van de staf
En het tinkelen dat maakt
De bel van de betoverde indiaan.