Não É Desgraça Ser Pobre
Não é desgraça ser pobre,
não é desgraça ser louca:
desgraça é trazer o fado
no coração e na boca.
Ao nascer trouxe uma estrela;
nela o destino mercado.
Não foi desgraça trazé-la:
desgraça é cantar o fado.
A moedinha de prata
vale mais do que a de cobre
Se a pobreza não nos mata
não é desgraça ser pobre
Desgraça é andar a gente
de tanto cantar, já rouca,
e o fado, teimosamente,
no coração e na boca.
Het Is Geen Ramp Om Arm Te Zijn
Het is geen ramp om arm te zijn,
het is geen ramp om gek te zijn:
ramp is het dragen van het fado
in je hart en in je keel.
Bij mijn geboorte bracht ik een ster mee;
daarin ligt het lot geboden.
Het was geen ramp om haar te dragen:
ramp is het zingen van het fado.
De zilveren munt
is meer waard dan de koperen.
Als de armoede ons niet doodt,
het is geen ramp om arm te zijn.
Ramp is dat mensen
van het zoveel zingen al hees zijn,
en het fado, koppig,
in hun hart en in hun keel.