Tor I Helheim
En stol højt monne stande alt under hvælvet sten
Den var af hovedpande og skøre dødningben
Der så man Hel at true, alt var hun hvid mod fod
Mod issen blå at skue af underløbet blod
Et dødningben det hvide vel bleget i måneskin
Hun straktes ud til kvide med et hævngærrigt sind
Det vare muldent lugte hun sprang det som en vånd
Som kongespir hun brugte det i sin grumme hånd
Det var så tyst derinde, en liglugt overalt
Der rørtes ingen vinde kun hule suk gengjaldt
Tre fakler blåligt lue ved hver en dødning stod
Man idel rædsel skue med intet spor af blod
Der så man Tor at smile, han vendte sig omkring
Han monne hurtigt ile hen i de dødes ring
Han råbte højt derinde da disse strenge ord
Så gå det hver en kvinde som ej tør følge Tor
I usselige dåre som frygter sår og død
Nu Hel jer evigt såre med kval og bitter nød
I lod ej hjelmen hvælve om issen kækt i strid
I skabtes til at skælve så skælv til evig tid
Derpå den strenge kæmpe tren fast for Hela frem
Han måtte stemmen dæmpe i hendes mørke hjem
Han sagde gustne kvinde retfærdigt straffer du
Dog står jeg ej herinde i en frivillig hu
Til Udgårds drot at drage dertil stod fast mit sind
Der kunne han så mage at her jeg vandret ind
Thi sig mig hvis du mægter hvad vej jeg vandre må
For til de stærke slægter i Jotunheim at gå
Der skreg til Mjølners svinger Hel med sin stemme styg
Det klang som sværdet klinger udi en panserryg
Forlad min sort bue gå frem snart est du der
Det blænder mig at skue din sundheds rosenskjær
Der vinkte brat behænde gud Tor med dristigt blik
Sig Loke bort mon vende da Hel forbi han gik
Fast han sit øje lukkede så tungt var ham den gang
Hun så på ham og sukkede i hendes spir det klang
Tor in Helheim
Een troon hoog moet staan, alles onder de stenen boog
Het was van schedel en gebroken doodskisten
Daar zag men Hel dreigen, alles was zij wit aan de voet
Tegen de blauwe ijsvlakte van het ondergelopen bloed
Een doodskist, het witte, goed gebleekt in het maanlicht
Zij strekte het uit naar de vrouw met een wraakzuchtig hart
Het rook er naar verrotting, zij sprong het als een pijn
Als een koningsstaf gebruikte zij het in haar grimmige hand
Het was zo stil daarbinnen, een lijkgeur overal
Er waaide geen wind, alleen een holle zucht weerklonk
Drie fakkels blauwachtig brandden bij elke doodskist
Men zag enkel angst, met geen spoor van bloed
Daar zag men Tor glimlachen, hij draaide zich om
Hij moest snel naar de kring van de doden gaan
Hij riep luid daarbinnen deze strenge woorden
Zo gaat het elke vrouw die niet durft Tor te volgen
In ellendige dwazen die vrezen wonden en dood
Nu zal Hel jullie eeuwig kwetsen met pijn en bittere nood
Jullie lieten de helm niet welfen om de schedel dapper in strijd
Jullie zijn gemaakt om te beven, zo beven tot in eeuwigheid
Daarop de strenge reus trad vast voor Hela naar voren
Hij moest zijn stem dempen in haar donkere huis
Hij zei: grimmige vrouw, rechtvaardig straf je ons
Toch sta ik hier niet binnen in een vrijwillige gemoed
Om Udgård's heer te gaan, daar stond mijn geest vast
Daar kon hij zo veel dat ik hier binnen ben gewandeld
Want wijs mij als je kunt welke weg ik moet gaan
Om naar de sterke geslachten in Jotunheim te gaan
Daar schreeuwde Hel met haar lelijke stem naar Mjølners zwaaier
Het klonk als het zwaard dat klingelt op een pantserrug
Verlaat mijn zwarte boog, ga snel verder, dan ben je daar
Het verblindt me om jouw gezondheid te zien, rozenrood
Daar wuifde de dappere god Tor met een gedurfde blik
Zeg Loke, ga weg, want Hel ging voorbij hem
Hij sloot zijn ogen zo zwaar was het voor hem die keer
Zij keek naar hem en zuchtte, in haar spiraal klonk het.