Sternblumennacht
Es war Mitternacht im Feenwald,
das Licht des mondes… bleich und kalt.
Rauschend… der Wind… in uralten Bäumen,
und Nebellicht, voll von verlorenen Träumen.
Da sah ich sie blühen am Wegesrand:
Sternblumen… -hell, wie ein leuchtendes Band.
Da packte mich Grauen mit eiskalter Hand,
wusste doch längst jedes Kind im Land:
Wenn im Feenwald nachts die Sternblumen blüh'n,
wende Dich ab und versuch zu flieh'n,
denn die Feen dort, sie haben kein Herz…
ihre Spiele bereiten nur Trauer und schmerz.
Schon trieb Angst und Entsetzen mich fort,
hinaus aus dem Wald, an sicheren Ort.
Da blickte ich in der Ferne ein Licht…
unwirklich kalt, doch es schreckte mich nicht.
Ich ging darauf zu und nahm nicht mehr wahr,
dass der Wald voll von Feengelächter war…
ein seltsames Sehnen schlich in meinen Sinn,
liess die Angst mich vergessen und zog mich dorthin.
Die Luft um mich her war klirrend kalt,
das Licht, es führte mich tief in den Wald.
Meinen Weg hatte ich längst aus den Augen verlor'n,
ein seltsamer Schmerz ward in mir gebor'n…
fast als könnt' ich erahnen des Schicksals Spiel,
das die Menschen da lenkt… ganz nach eigenem Ziel.
Da öffnete sich plötzlich vor mir der Wald:
eine Lichtung im Mondlicht gewann vor mir Gestalt.
Ich trat auf die Lichtung und konnte sie sehen:
eine Figur aus Stein dort im Mondlicht stehen.
Ein Brennen durchfuhr meine Seele mit Schmerz,
das Gesicht des Wesens berührte mein Herz,
denn all mein Sehnen, mein Suchen und sein,
Voll Verzweiflung ergriff ich die eiskalte Hand,
in der sich doch kein Funke Leben befand…
Plötzlich liess ein Geräusch den Stein erbeben,
und die starren Augen erwachten zum Leben.
Ja, sie blickten mich an, doch wie konnte das sein…
die Hand, die ich hiel, war nicht mehr aus Stein!
Wo sich vorher ein lebloses Wesen nicht rührte,
war nunmehr ein Mensch, dessen Wärme ich spürte!
Und in seinem Blick lag dasselbe Erkennen,
das flammend mein Innerstes schien zu verbrennen.
Für einen Moment schien die Welt zu verschwinden,
wir spürten sich unsere Seelen verbinden:
der Einen des Anderen Sehnen gestillt,
und ohne ein Wort von gleichem erfüllt.
Doch nur kurz war das Licht, das uns gewährt,
als sein Blich sich von drohenden Unglück beschwert:
"Verzeih' mir, Geliebte, doch kann es nicht sein,
denn mein Schicksal will, dass ich bleibe allein!"
"Vor langer Zeit kam ich her bei Nacht,
sah die Sternblumen blüh'n, doch ich habe gelacht,
über dass, was im Land man darüber erzählt
und mein dunkles Schicksal so selber,
Denn die Feen verwandelten mich in Stein,
und nicht Schwert noch Zauber kann mich befrei'n…
doch ist mir gewährt... in tausend Jahr'n…
eine einzige Nacht als Mensch zu erfahr'n…"
"…und wenn dann der Sonne erstes Licht
sich im Tau des Frühen Morgens bricht,
werd' ich erstarren, leblos und kalt,
als Steinfigur, hier im Feenwald…"
In dem Moment, fühlte ich, brach mein Herz...
verbunden durch Liebe, zerrissen durch Schmerz.
Und die wenigen Stunden, die uns noch blieben,
blieb weinend in seinen Armen ich liegen…
Der Tag war schon hell, als ich zu mir kam
und noch immer lag ich in seinem Arm.
Doch war er nun wieder leblos und kalt…
und ich machte mich auf meinen Weg aus dem Wald.
Den Blick gesenkt, sah nicht einmal zurück,
denn tief in mir, spürte ich, fehlte ein Stück.
Mein Herz, so kalt wie der leblose Stein,
führt mein Weg mich fort… von nun an allein.
Sterrenbloemnacht
Het was middernacht in het feeënwoud,
het licht van de maan... bleek en koud.
Ruisend... de wind... in oeroude bomen,
en nevellicht, vol van verloren dromen.
Daar zag ik ze bloeien aan de rand van de weg:
Sterrenbloemen... -helder, als een stralend zeg.
Toen greep de angst me met een ijskoude hand,
want elk kind in het land wist het al lang:
Als in het feeënwoud 's nachts de sterrenbloemen bloeien,
draai je je om en probeer te ontvluchten,
want de feeën daar, ze hebben geen hart...
hun spelletjes brengen alleen maar verdriet en smart.
Al snel dreef angst en ontzetting me weg,
buiten het woud, naar een veilige plek.
Daar keek ik in de verte een licht...
onwerkelijk koud, maar het schrok me niet af.
Ik liep ernaartoe en merkte niet meer op,
dat het woud vol feeënlachen was...
een vreemde drang sloop in mijn geest,
liet de angst me vergeten en trok me daarheen.
De lucht om me heen was ijzig koud,
the licht leidde me diep het woud in, zo stout.
Mijn pad had ik al lang uit het oog verloren,
een vreemde pijn werd in mij geboren...
bijna alsof ik het spel van het lot kon raden,
dat de mensen daar leidt... helemaal naar hun eigen doelen.
Toen opende zich plots voor mij het woud:
een open plek in het maanlicht kreeg voor mij vorm.
Ik stapte de open plek op en kon het zien:
een figuur van steen daar in het maanlicht staan.
Een brander doorboorde mijn ziel met pijn,
dezelfde gelaatsuitdrukking raakte mijn hart,
want al mijn verlangen, mijn zoeken en zijn,
vol van wanhoop greep ik de ijskoude hand,
waar toch geen sprankje leven in zat...
Plotseling liet een geluid de steen beven,
en de starre ogen kwamen tot leven.
Ja, ze keken naar me, maar hoe kon dat zijn...
de hand die ik vasthield, was niet meer van steen!
Waar eerder een levenloos wezen niet bewoog,
was nu een mens, wiens warmte ik voelde!
En in zijn blik lag dezelfde herkenning,
die vurig mijn binnenste leek te verbrandden.
Voor een moment leek de wereld te verdwijnen,
we voelden onze zielen met elkaar verbinden:
de één van de ander zijn verlangen gestild,
en zonder een woord van hetzelfde vervuld.
Maar het licht dat ons gegeven was, was maar kort,
toen zijn blik zich van dreigend ongeluk bezwaard:
"Vergeef me, geliefde, maar het kan niet zijn,
want mijn lot wil dat ik alleen blijf!"
"Lang geleden kwam ik hier 's nachts,
zag de sterrenbloemen bloeien, maar ik lachte,
over wat men in het land daarover vertelt
en mijn donkere lot zo zelf,
want de feeën veranderden me in steen,
en geen zwaard of magie kan me bevrijden...
maar is me gegeven... in duizend jaar...
eén enkele nacht als mens te ervaren..."
"...en als dan het eerste licht van de zon
zich in de dauw van de vroege ochtend breekt,
zullen ik verstijven, levenloos en koud,
als een steenfiguur, hier in het feeënwoud..."
In dat moment voelde ik, mijn hart brak...
verbonden door liefde, verscheurd door pijn.
En de weinige uren die ons nog bleven,
bleedend lag ik in zijn armen te leven...
De dag was al helder, toen ik bij bewustzijn kwam
en nog steeds lag ik in zijn arm.
Maar hij was nu weer levenloos en koud...
en ik maakte me op mijn weg uit het woud.
Met de blik neergeslagen, keek ik niet eens terug,
want diep van binnen voelde ik, er miste een stuk.
Mijn hart, zo koud als de levenloze steen,
leidt mijn weg me weg... vanaf nu alleen.