Fado do Cacilheiro
Quando eu era rapazote
Levei comigo no bote
Uma varina atrevida
Manobrei e gostei dela
E lá me atraquei a ela
Pro resto da minha vida
Às vezes numa pessoa
A idade não perdoa
Faz bater o coração
Mas tenho grande vaidade
Em viver a mocidade
Dentro desta geração
Sou marinheiro
Deste velho cacilheiro
Dedicado companheiro
Pequeno berço do povo
E navegando
A idade foi chegando
Ai... O cabelo branqueando
Mas o Tejo é sempre novo
Todos moram numa rua
A que chamam sempre sua
Mas eu cá não os invejo
O meu bairro é sobre as águas
Que cantam as suas mágoas
E minha rua é o Tejo
Certa noite de luar
Vinha eu a navegar
E de pé junto da proa
Eu vi ou então sonhei
Que os braços do Cristo-Rei
Estavam a abraçar Lisboa
Sou marinheiro
Deste velho cacilheiro
Dedicado companheiro
Pequeno berço do povo
E navegando
A idade foi chegando
Ai... O cabelo branqueando
Mas o Tejo é sempre novo
Fado van de Cacilheiro
Toen ik nog een jongen was
Nam ik met me mee in de boot
Een brutale visserin
Ik manoeuvreerde en vond haar leuk
En zo raakte ik aan haar gehecht
Voor de rest van mijn leven
Soms bij een persoon
Vergeeft de leeftijd niet
Laat het hart sneller kloppen
Maar ik heb veel trots
Om de jeugd te leven
Binnen deze generatie
Ik ben zeeman
Van deze oude cacilheiro
Toegewijde maat
Klein wiegje van het volk
En varend
Kwam de leeftijd eraan
Ai... Het haar werd grijs
Maar de Tejo is altijd nieuw
Iedereen woont in een straat
Die ze altijd hunne noemen
Maar ik ben niet jaloers
Mijn buurt is boven het water
Dat zijn verdriet bezingt
En mijn straat is de Tejo
Op een bepaalde nacht bij maanlicht
Was ik aan het varen
En staande bij de boeg
Zag ik of droomde ik
Dat de armen van Christus de Koning
Lissabon aan het omarmen waren
Ik ben zeeman
Van deze oude cacilheiro
Toegewijde maat
Klein wiegje van het volk
En varend
Kwam de leeftijd eraan
Ai... Het haar werd grijs
Maar de Tejo is altijd nieuw