Un di all'azzurro spazio
Colpitto qui m'avete ov'io geloso celo
il più puro palpitar dell'anima.
Or vedrete, fanciulla, qual poema
è la parola "Amor", qui causa di scherno!
Un dì all'azzurro spazio guardai profondo,
e ai prati colmi di viole, pioveva l'oro il sole,
e folgorava d'oro il mondo:
parea la terra un immane tesor,
e a lei serviva di scrigno il firmamento.
Su dalla terra a la mia fronte
veniva una carezza viva, un bacio.
Gridai vinto d'amor:
T'amo tu che mi baci, divinamente bella,
o patria mia!
E volli pen d'amore pregar!
Varcai d'una chiesa la soglia;
là un prete ne le nicchie
dei santi e della Vergine,
accumulava doni
e al sordo orecchio
un tremulo vegliardo
invan chiedeva pane
e invano stendea la mano!
Varcai degli abituri l'uscio;
un uom vi calunniava
bestemmiando il suolo
che l'erario appenza sazia
e contro a Dio scagliava
e contro agli uomini
le lacrime dei figli.
In cotanta miserie la patrizia prole che fa?
Sol l'occhio vostro esprime umanamente qui
un guardo di pietà, ond'io guardato ho a voi
si come a un angelo.
E dissi: ecco la bellezza della vita!
Ma, poi, a le vostre parole,
un novello dolor m'ha colto in pieno petto.
O giovinetta bella,
d'un poeta non disprezzate il detto:
Udite! Non conoscete amor,
amor, divino dono, non lo schernir,
del mondo anima e vita è l'amor!
Een dag in de blauwe ruimte
Jullie hebben me geraakt, waar ik jaloers verberg
het puurste kloppen van de ziel.
Nu zullen jullie zien, meisje, welk gedicht
het woord "Liefde" is, hier de oorzaak van spot!
Op een dag keek ik diep in de blauwe ruimte,
en op de velden vol met viooltjes, viel de zon als goud,
en de wereld schitterde in goud:
het leek alsof de aarde een immense schat was,
en de lucht diende als een kist voor haar.
Van de aarde naar mijn voorhoofd
kwam een levendige streling, een kus.
Ik riep, overwonnen door liefde:
Ik hou van jou, jij die me kust, goddelijk mooi,
o mijn vaderland!
En ik wilde van liefde bidden!
Ik stapte de drempel van een kerk over;
daar een priester in de nissen
van de heiligen en de Maagd,
verzamelde geschenken
en aan het doof oor
vroeg een trillende oude man
tevergeefs om brood
en stak tevergeefs zijn hand uit!
Ik stapte de deur van de woningen over;
een man lasterde daar
vloekend de grond
die de schatkist slechts verzadigt
en tegen God gooide
en tegen de mensen
de tranen van de kinderen.
In zulke ellende, wat doet de aristocratische nakomeling?
Alleen jullie ogen drukken hier menselijkheid uit
met een blik van medelijden, waarmee ik naar jullie keek
zoals naar een engel.
En ik zei: kijk, dat is de schoonheid van het leven!
Maar toen, door jullie woorden,
overviel een nieuwe pijn me in mijn volle borst.
O mooie jongedame,
veracht de woorden van een dichter niet:
Hoort! Jullie kennen de liefde niet,
liefde, goddelijke gave, spot er niet mee,
van de wereld is liefde de ziel en het leven!